Het leven van Jezus tot zijn twaalfde jaar 5 studies
De bediening van Johannes de Doper 1 studie
Van het derde Pesach tot het begin van de laatste week 5 studies
Het optreden van Jezus: roepingen, wonderen en onderwijs 1 studie
De laatste week vóór de arrestatie 16 studies
- 13De terugkeer naar Betanië
- 14Reiniging van de tempel (tweede keer)
- 15Genezing van blinden en kreupelen
- 16Dagelijks onderricht in de tempel
- 17De terugkeer, opnieuw, naar Betanië
De laatste dag tot de kruisiging 1 studie
De openbaring van Daniël 2 studies
De tegenstrijdigheden 2 studies
Bediening van Petrus 5 studies
Historische aantekeningen 5 studies
Woord van een Vriend 1 studie
Het leven van Jezus tot zijn twaalfde jaar
-
PER003
Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper
Dit artikel beschrijft de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper, die uitsluitend in het Evangelie van Lucas wordt verteld. Het belicht de aandacht voor historische details en de profetische betekenis van Johannes als voorloper van Jezus.
Lukas 1.5-25 (De Heilige Schrift 1917) :In de dagen van Herodes, den koning van Judea, was een zeker priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochteren van Aaron, en haar naam Elizabet.En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk.En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden verre op hun dagen gekomen waren.En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt zijner dagorde.Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen.En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des reukoffers.En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter zijde van het altaar des reukoffers.En Zacharias, hem ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen.Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan.En hij zal velen der kinderen Israels bekeren tot den Heere, hun God.En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk.En Zacharias zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is verre op haar dagen gekomen.En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriel, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang vertoefde in den tempel.En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij een gezicht in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom.En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende:Alzo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, in welke Hij mij aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER017
De reiniging van Maria
Het artikel bespreekt Maria's reiniging na Jezus' geboorte, een Joods ritueel dat Jozef en Maria in de tempel van Jeruzalem volgen. Deze daad van toewijding en nederigheid, beschreven in Lucas 2:22-24, toont hun trouw aan de wet van Mozes ondanks hun bescheiden financiële middelen.
Lukas 2.22-24 (De Heilige Schrift 1917) :En als de dagen harer reiniging vervuld waren, naar de wet van Mozes, brachten zij Hem te Jeruzalem, opdat zij Hem den Heere voorstelden;(Gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden.)En opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Heeren gezegd is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER018
De ontmoeting met Simeon
De ontmoeting van de Heilige Familie met Simeon in de tempel van Jeruzalem, volgens het Evangelie van Lucas, versterkt Maria en Jozefs besef van Jezus' goddelijke opdracht.
Lukas 2.25-35 (De Heilige Schrift 1917) :En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de vertroosting Israels, en de Heilige Geest was op hem.En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Heeren zou zien.En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen;Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide:Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord;Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken:Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israel.En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd.En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israel, en tot een teken, dat wedersproken zal worden.(En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER019
De ontmoeting met Hanna
Het artikel onderzoekt de ontmoeting tussen de profetes Hanna en Jezus in de tempel. Het benadrukt haar herkenning van de Messias en de geestelijke invloed van haar getuigenis op tempelbezoekers, in verband met de Joodse messiaanse verwachtingen.
Lukas 2.36-38 (De Heilige Schrift 1917) :En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuel, uit den stam van Aser; deze was tot groten ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af.En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke niet week uit den tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag.En deze, te dierzelfder ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heere beleden, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER028
Het twaalfjarige kind Jezus in de tempel
Dit artikel behandelt de gebeurtenis in het Evangelie van Lucas waarbij Jezus op twaalfjarige leeftijd in de tempel onderricht geeft. Het belicht het samengaan van zijn goddelijke kennis en zijn menselijk leven en verklaart zijn geestelijke en lichamelijke groei. Lucas en de evangeliën laten zijn tienerjaren weg, een keuze die zijn gewone levensweg als goddelijke persoon moet benadrukken.
Lukas 2.41-52 (De Heilige Schrift 1917) :En Zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van pascha.En toen Hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag;En de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het Kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet.Maar menende, dat Hij in het gezelschap op den weg was, gingen zij een dagreize, en zochten Hem onder de magen, en onder de bekenden.En als zij Hem niet vonden, keerden zij wederom naar Jeruzalem, Hem zoekende.En het geschiedde, na drie dagen, dat zij Hem vonden in den tempel, zittende in het midden der leraren, hen horende, en hen ondervragende.En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden.En zij, Hem ziende, werden verslagen; en Zijn moeder zeide tot Hem: Kind! waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht.En Hij zeide tot hen: Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak.En Hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En Zijn moeder bewaarde al deze dingen in haar hart.En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de mensen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
De bediening van Johannes de Doper
-
PER039
De handelaars uit de tempel verdreven
Perikoop 39 onderzoekt Jezus' reiniging van de tempel zoals Johannes die beschrijft (Johannes 2.14-22). De auteur verdedigt de opvatting dat het om twee afzonderlijke gebeurtenissen gaat, met drie jaar ertussen. De eerste vindt plaats tijdens het eerste Pesach van Jezus' bediening, op 7 april 30. Het artikel onderzoekt de historische context van de tempel van Herodes, de rol van Kajafas en het Sanhedrin, en twee kernlessen: Jezus' ijver voor Gods huis en de profetische aankondiging van zijn opstanding.
Mattheüs 12.40 (De Heilige Schrift 1917) :Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
Van het derde Pesach tot het begin van de laatste week
-
PER206
Het Loofhuttenfeest
Perikoop 206 behandelt het Loofhuttenfeest (Soekot), dat alleen door Johannes wordt beschreven (7,2-10). Jezus besluit in oktober van het jaar 32 n.Chr. in het geheim naar Jeruzalem op te gaan, zes maanden voor zijn arrestatie. Johannes onthult de spanning met de religieuze autoriteiten en het ongeloof van de broers van Jezus, elementen die in de synoptische evangeliën ontbreken.
Johannes 7.10 (De Heilige Schrift 1917) :Maar als Zijn broeders opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER213
Onderwijs van de Messias Jezus in de tempel
Tijdens het Loofhuttenfeest in oktober van het jaar 32 onderwijst de Messias Jezus in de tempel van Jeruzalem met een gezag dat de menigte verbaast en de farizeeën verontwaardigt. Johannes 7.14-24 vertelt over deze unieke episode, waarin Jezus verklaart dat zijn onderricht van God komt en een genezing op de sabbat verdedigt met een strenge schriftuurlijke argumentatie. De vijandigheid van de religieuze autoriteiten neemt toe.
Markus 3.1-6 (De Heilige Schrift 1917) :En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand.En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden.En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem doden zouden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER224
Onderricht over het gebed
De pericoop PER224 presenteert het onderricht van Jezus over het gebed, gegeven op de Olijfberg in december van het jaar 32. Op basis van Matteüs 6.9-13 en Lucas 11.1-4 onderzoekt zij het Onze Vader in twee verschillende contexten. Lucas plaatst de gebeurtenis in de buurt van Jeruzalem, na het bezoek aan Betanië en vóór de genezing van een bezetene. De leerlingen, van wie sommigen Johannes de Doper hadden gevolgd, vragen Jezus hen te leren bidden.
Lukas 11.1 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde, toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield, dat een van Zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER229
Herinnering aan het bloedbad onder de Galileeërs door Pilatus
De perikoop PER229 (Lucas 13,1-5) vertelt hoe getuigen van een farizeese maaltijd Jezus aanspreken over het bloedbad dat Pilatus onder Galileeërs aanrichtte. Jezus weigert daarin een goddelijke straf te zien en roept op tot persoonlijk berouw, waarbij hij ook de val van de toren van Siloam noemt. Hij leert dat de dood het gemeenschappelijke lot van allen is en dat alleen berouw de toegang tot het Koninkrijk van God opent.
Johannes 9.2-3 (De Heilige Schrift 1917) :En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden?Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER234
Klacht over Jeruzalem
De Klacht over Jeruzalem (Mt 23.37-39; Lc 13.34-35) toont Jezus die huilt over de heilige stad, enkele dagen vóór zijn lijden. Door het beeld van de kip die haar kuikens beschermt, drukt hij de verworpen goddelijke liefde uit, veroordeelt hij de moord op de profeten en kondigt hij de verwoesting van de Tempel aan, terwijl hij de hoop op een uiteindelijke verzoening openlaat.
Lukas 13.34-35 (De Heilige Schrift 1917) :Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild?Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar, Ik zeg u, dat gij Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn, als gij zult zeggen: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
Het optreden van Jezus: roepingen, wonderen en onderwijs
-
PAR017
De tien maagden
De gelijkenis van de uitlopende vijgenboom, die wordt verteld door Matteüs, Marcus en Lucas, nodigt de discipelen uit de tekenen des tijds met waakzaamheid en hoop te lezen. Zoals de knoppen de zomer aankondigen, zo kondigen de gebeurtenissen in de wereld de terugkeer van de Messias aan. Het woord van Jezus, zeker en eeuwig, staat borg voor de vervulling van al zijn beloften over het Koninkrijk van God.
Lukas 21.29-33 (De Heilige Schrift 1917) :En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Ziet den vijgeboom, en al de bomen.Wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zo weet gij uit uzelven, dat de zomer nu nabij is.Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het Koninkrijk Gods nabij is.Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn.De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
De laatste week vóór de arrestatie
-
PER281
De terugkeer naar Betanië
Na zijn triomfantelijke intocht in Jeruzalem verlaat Jezus bij het vallen van de avond de stad om met zijn twaalf leerlingen, onder wie Judas, terug te keren naar Betanië. Dit voorval, vooral verteld door Marcus (11.11) en Matteüs (21.17) en gesitueerd op zondag 27 maart van het jaar 33, illustreert het ritme van de laatste week: dagen in de Tempel, nachten bij Betanië. De leerlingen maken van deze tochten gebruik om hun Meester te vragen naar de betekenis van zijn messiaanse daden.
Zacharia 9.9 (De Heilige Schrift 1917) :Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER284
Reiniging van de tempel (tweede keer)
De tweede reiniging van de tempel door Jezus, op maandag 28 maart van het jaar 33, is een profetische en symbolische daad. Door de verkopers uit het voorhof van de heidenen te verdrijven en Jesaja en Jeremia aan te halen, hekelt Jezus de verdorvenheid van de eredienst, bevestigt hij zijn messiaanse gezag en kondigt hij het komende oordeel over de tempel aan. Deze gebeurtenis versnelt het besluit van de religieuze leiders om hem te doden.
Mattheüs 21.12-13 (De Heilige Schrift 1917) :En Jezus ging in den tempel Gods, en dreef uit allen, die verkochten en kochten in den tempel, en keerde om de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten.En Hij zeide tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER285
Genezing van blinden en kreupelen
Na de reiniging van de tempel geneest Jezus op maandag 28 maart van het jaar 33 blinden en lammen op het voorhof. Alleen Matteüs vertelt deze gebeurtenis. De menigte en de kinderen juichen hem toe als Zoon van David, terwijl de overpriesters en de schriftgeleerden, steeds vijandiger, verontwaardigd zijn over deze messiaanse betuigingen. Deze gebeurtenis laat het contrast zien tussen het geloof van het eenvoudige volk en de afwijzing door de godsdienstige leiders.
Markus 11.15-18 (De Heilige Schrift 1917) :En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus, in den tempel gegaan zijnde, begon degenen, die in den tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om;En liet niet toe, dat iemand enig vat door den tempel droeg.En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken? Maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.En de Schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en zochten, hoe zij Hem doden zouden; want zij vreesden Hem, omdat de ganse schare ontzet was over Zijn leer.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER286
Dagelijks onderricht in de tempel
Perikoop 286 beschrijft het dagelijkse onderricht van Jezus in de tempel van Jeruzalem tijdens de paasweek (maandag 28 maart 33 n.Chr.). Zij is voornamelijk gebaseerd op Lucas 19,47-48 en toont de groeiende tegenstelling tussen de bewonderende menigten en de vijandige godsdienstige leiders — schriftgeleerden, overpriesters, sadduceeën en farizeeën — die Jezus het zwijgen willen opleggen, omdat zijn boodschap van het Koninkrijk van God hun gevestigde macht bedreigt.
Lukas 19.47-48 (De Heilige Schrift 1917) :En Hij leerde dagelijks in den tempel; en de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de oversten des volks zochten Hem te doden.En zij vonden niet, wat zij doen zouden; want al het volk hing Hem aan, en hoorde Hem.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER287
De terugkeer, opnieuw, naar Betanië
PER287 beschrijft de terugkeer van Jezus en zijn leerlingen naar Betanië na een dag in de tempel van Jeruzalem, op maandag 28 maart 33 n.Chr. Deze episode, die vooral door Marcus 11.19 wordt getuigd, werpt licht op de nachtelijke routine van de groep rond Marta, Maria en Lazarus. Het artikel behandelt de verspreide gastvrijheid, de rol van de vrouwen, de dagelijkse heen- en terugreizen tussen Betanië en Jeruzalem en het onbegrip van de leerlingen bij de aankondigingen van het lijden.
Markus 9.31 (De Heilige Schrift 1917) :Want Hij leerde Zijn discipelen, en zeide tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij ten derden dage wederopstaan.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER289
Het gezag van de Messias Jezus betwist
In de tempel van Jeruzalem betwisten de religieuze leiders openlijk het gezag van Jezus. Met een slimme wedervraag over de doop van Johannes brengt hij hen tot zwijgen en legt hij hun kwade trouw bloot. Deze synoptische episode (Mt 21.23-27; Mc 11.27-33; Lc 20.1-8) toont het groeiende verzet van de autoriteiten tegen de Messias tijdens zijn laatste week vóór de arrestatie.
Johannes 7.46 (De Heilige Schrift 1917) :De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze Mens.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER290
De gelijkenis van de twee zonen
De gelijkenis van de twee zonen (Mt 21,28-32), alleen door Matteüs overgeleverd, speelt zich af in de tempel van Jeruzalem tijdens de laatste week van Jezus. Ze zet twee houdingen tegenover elkaar: beloven zonder te handelen versus weigeren en daarna gehoorzamen. Jezus ontmaskert hierin de huichelarij van de religieuze leiders en kondigt aan dat de berouwvolle zondaars vóór hen het Koninkrijk binnengaan. Een universele oproep tot nederigheid en oprecht berouw.
Mattheüs 13.24-30 (De Heilige Schrift 1917) :Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker.En als de mensen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg.Toen het nu tot kruid opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid.En de dienstknechten van den heer des huizes gingen en zeiden tot hem: Heere! hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Van waar heeft hij dan dit onkruid?En hij zeide tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij heengaan en datzelve vergaderen?Maar hij zeide: Neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER292
De gelijkenis van het bruiloftsmaal
De gelijkenis van het bruiloftsmaal (Mt 22,1-14 ; Lc 14,15-24) leert dat God alle mensen uitnodigt in zijn Koninkrijk, maar dat het afwijzen van die uitnodiging een zwaar oordeel met zich meebrengt. Ze werd op dinsdag van de lijdensweek in de tempel van Jeruzalem uitgesproken en kondigt profetisch de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. aan. De man zonder bruiloftskleed herinnert eraan dat de toegang tot het Koninkrijk een echte geestelijke verandering vereist, die door het geloof in Christus wordt ontvangen.
Mattheüs 21.33-46 (De Heilige Schrift 1917) :Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buiten 's lands.Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten te ontvangen.En de landlieden, nemende zijn dienstknechten, hebben den een geslagen, en den anderen gedood, en den derden gestenigd.Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun desgelijks.En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien.Maar de landlieden, den zoon ziende, zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden.En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten den wijngaard, en doodden hem.Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen?Zij zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven.Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.En wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.En als de overpriesters en Farizeen deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak.En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze Hem hielden voor een profeet.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER293
De vragen van de vreemdelingen aan de Messias Jezus
Een episode die alleen bij Johannes voorkomt (Johannes 12.20-50), gesitueerd op de dinsdag van de lijdensweek in het voorhof van de heidenen. Enkele Grieken vragen Jezus te zien, wat de aankondiging van het uur van zijn verheerlijking teweegbrengt. Met het beeld van de graankorrel openbaart Jezus dat zijn dood de bron is van universeel leven. Het kruis wordt voorgesteld als een glorierijke verhoging die alle mensen tot hem trekt en het heil voor alle volken opent.
Johannes 12.27-33 (De Heilige Schrift 1917) :Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen.Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken.De schare dan, die daar stond, en dit hoorde, zeide, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.Jezus antwoordde en zeide: Niet om Mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil.Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden.En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.(En dit zeide Hij, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zou.)De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER294
De vragen van de farizeeën en de herodianen
Farizeeën en Herodianen proberen Jezus in de val te lokken door hem te vragen of men de belasting aan de keizer moet betalen. Zijn antwoord — “Geef de keizer wat des keizers is, en God wat Gods is” — doorkruist de valstrik en legt het fundamentele onderscheid vast tussen burgerlijk gezag en goddelijke soevereiniteit, en herinnert eraan dat de mens, die het beeld van God draagt, helemaal aan hem toebehoort.
Genesis 1.26-27 (De Heilige Schrift 1917) :En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER295
De vragen van de farizeeën en de herodianen
In de Tempel van Jeruzalem proberen de sadduceeën Jezus in de val te lokken met een vraag over de opstanding, waarin een vrouw voorkomt die zeven mannen had. Jezus antwoordt door hun onwetendheid over de Schriften en de kracht van God aan het licht te brengen: in het toekomstige leven trouwt men niet meer. Hij bewijst de opstanding uit de Tora door Exodus 3.6 aan te halen: God is een God van levenden, niet van doden. Zijn tegenstanders worden tot zwijgen gebracht.
Romeinen 14.8-9 (De Heilige Schrift 1917) :Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER296
De vragen van de wetgeleerden
In de laatste week vóór zijn lijden wordt Jezus door wetgeleerden ondervraagd over het grootste gebod. Hij vat de hele Wet samen in twee beginselen: God liefhebben en zijn naaste liefhebben. Een oprechte schriftgeleerde erkent de juistheid van dit antwoord, en Jezus zegt hem dat hij niet ver van het Koninkrijk is. Het artikel nuanceert het beeld van het farizeïsme en nodigt uit tot een geloof dat in liefde wordt geleefd in plaats van in wettisch denken.
Johannes 19.39 (De Heilige Schrift 1917) :En Nicodemus kwam ook (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloe; omtrent honderd ponden gewichts.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER297
De messiaanse waardigheid van Jezus
In de voorhof van de tempel van Jeruzalem ondervraagt Jezus op de dinsdag vóór zijn lijden de farizeeën over de identiteit van de Messias. Door Psalm 110 aan te halen, onthult hij dat de Messias tegelijk Zoon van David is naar het vlees en eeuwige Heer naar zijn goddelijkheid. Zo brengt hij zijn tegenstanders in verwarring, die zonder antwoord blijven. Een fundamentele christologische uitspraak over de dubbele natuur van Jezus.
Mattheüs 23.1-39 (De Heilige Schrift 1917) :Toen sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen,Zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeen zijn gezeten op den stoel van Mozes;Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet.Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren.En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gedenkcedels breed, en maken de zomen van hun klederen groot.En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen;Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen genaamd te worden: Rabbi, Rabbi!Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders.En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Een is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is.Noch zult gij meesters genoemd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus.Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn.En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.Maar wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden! want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan.Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt.Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud des tempels, die is schuldig.Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt?En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig.Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daarop is.En wie zweert bij den tempel, die zweert bij denzelven, en bij Dien, Die daarin woont.En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Dien, Die daarop zit.Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt.Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij reinigt het buitenste des drinkbekers, en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid.Gij blinde Farizeer, reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde.Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.Alzo ook schijnt gij wel den mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen;En zegt: Indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten.Aldus getuigt gij tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben.Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen!Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?Daarom ziet, Ik zende tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar.Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild.Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER298
Requisitoir tegen de religieuze leiders
Op het voorhof van de tempel van Jeruzalem houdt Jezus op de woensdag vóór zijn lijden een scherp requisitoir tegen de schriftgeleerden en de farizeeën. In acht uitspraken van ‘Wee u!’ hekelt hij hun huichelarij, hun hoogmoed en hun schijnreligie, terwijl hij zijn diepe smart om Jeruzalem uitspreekt. Hij roept zijn discipelen op tot een echt, nederig geloof dat anderen dient.
Mattheüs 23.11 (De Heilige Schrift 1917) :Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER299
De gave van de arme weduwe
In de tempel van Jeruzalem ziet Jezus hoe een arme weduwe twee kleine muntjes in de schatkist legt, alles wat zij bezit. In tegenstelling tot de rijken, die met vertoon van hun overvloed geven, brengt zij haar volledige levensonderhoud als gave. Jezus verklaart dat zij meer heeft gegeven dan alle anderen, waarmee Hij de menselijke maatstaven van waarde omkeert. Dit verhaal, overgeleverd door Marcus (12.41-44) en Lucas (21.1-4), leert dat ware vrijgevigheid niet wordt gemeten aan de hoeveelheid die men geeft, maar aan de gezindheid van het hart en het gebrachte offer.
Markus 12.41-44 (De Heilige Schrift 1917) :En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben.Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar gansen leeftocht.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER300
Het ongeloof van de Joden
Perikoop 300 behandelt het ongeloof van de Joden tegenover de tekenen die Jezus verrichtte, een gebeurtenis die alleen door Johannes wordt verteld (Joh 12,37-50) en die zich afspeelt in de tempel van Jeruzalem op woensdag 30 maart 33 n.Chr. Daartegenover illustreert de gift van de arme weduwe echt geloof. Jezus keert de menselijke maatstaven om: ware vrijgevigheid wordt niet afgemeten aan de hoeveelheid die wordt gegeven, maar aan de gesteldheid van het hart, dat aan God alles aanbiedt wat men is.
Johannes 12.37-50 (De Heilige Schrift 1917) :En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet;Opdat het woord van Jesaja, den profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard?Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft:Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze.Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar om der Farizeen wil beleden zij het niet; opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden.Want zij hadden de eer der mensen lief, meer dan de eer van God.En Jezus riep, en zeide: Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Dengene, Die Mij gezonden heeft.En die Mij ziet, die ziet Dengene, Die Mij gezonden heeft.Ik ben een Licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve.En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make.Die Mij verwerpt, en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage.Want Ik heb uit Mijzelven niet gesproken; maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal, en wat Ik spreken zal.En Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is. Hetgeen Ik dan spreek, dat spreek Ik alzo, gelijk Mij de Vader gezegd heeft.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
De laatste dag tot de kruisiging
-
PER359
De buitengewone tekenen bij de dood van Jezus
Bij de dood van Jezus op Golgota doen zich verscheidene buitengewone tekenen voor: het voorhangsel van de tempel scheurt van boven tot onder, als symbool van de directe toegang tot God; een aardbeving schudt de streek; rotsen splijten en graven gaan open. Deze verschijnselen, die vooral door Matteüs worden verhaald, betekenen het einde van het oude verbond, de komst van een nieuw verbond en de overwinning van Christus op de dood, bevestigd door de belijdenis van de Romeinse centurio.
Nahum 1.5 (De Heilige Schrift 1917) :De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
De openbaring van Daniël
-
DAN007
Daniël 5 – Het feest van Belsazar: wanneer Babylon gewogen en veroordeeld wordt
Daniël 5 vertelt de val van Babylon onder de regering van Belsazar, die de heilige vaten ontwijdt. Een geheimzinnig opschrift, door Daniël uitgelegd, voorspelt het einde van het koninkrijk. God oordeelt de menselijke machten, en dit illustreert de arrogantie van Belsazar.
Daniël 5.1-30 (De Heilige Schrift 1917) :De koning Belsazar maakte een groten maaltijd voor zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend.Als Belsazar den wijn geproefd had, zeide hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven uit dezelve dronken.Toen bracht men voor de gouden vaten, die men uit den tempel van het huis Gods, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijwijven dronken daaruit.Zij dronken den wijn, en prezen de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden.Ter zelfder ure kwamen er vingeren van eens mensen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar, op de kalk van den wand van het koninklijk paleis, en de koning zag het deel der hand, die daar schreef.Toen veranderde zich de glans des konings, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden zijner lendenen werden los, en zijn knieen stieten tegen elkander aan.Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.Toen kwamen al de wijzen des konings in; maar zij konden dit schrift niet lezen, noch den koning deszelfs uitlegging bekend maken.Toen verschrikte de koning Belsazar zeer, en zijn glans werd aan hem veranderd, en zijn geweldigen werden verbaasd.Om deze woorden des konings en zijner geweldigen, ging de koningin in het huis des maaltijds. De koningin sprak en zeide: O koning, leef in eeuwigheid! laat u uw gedachten niet verschrikken, en uw glans niet veranderd worden.Er is een man in uw koninkrijk, in wien de geest der heilige goden is, want in de dagen uws vaders is bij hem gevonden licht, en verstand, en wijsheid, gelijk de wijsheid der goden is; daarom stelde hem de koning Nebukadnezar, uw vader, tot een overste der tovenaars, der sterrekijkers, der Chaldeen, en der waarzeggers, uw vader, o koning!Omdat een voortreffelijke geest, en wetenschap, en verstand van een, die dromen uitlegt, en der aanwijzing van raadselen, en van een, die knopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniel, dien de koning den naam van Beltsazar gaf; laat nu Daniel geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven.Toen werd Daniel voor den koning ingebracht. De koning antwoordde en zeide tot Daniel: Zijt gij die Daniel, een uit de gevankelijk weggevoerden van Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft?Ik heb toch van u gehoord, dat de geest der goden in u is, en dat er licht, en verstand, en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt.Nu, zo zijn voor mij ingebracht de wijzen en de sterrekijkers, om dit schrift te lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend te maken; maar zij kunnen de uitlegging dezer woorden niet te kennen geven.Doch van u heb ik gehoord, dat gij uitleggingen kunt geven, en knopen ontbinden; nu, indien gij dit schrift zult kunnen lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend maken, gij zult met purper bekleed worden, met een gouden keten om uw hals, en gij zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn.Toen antwoordde Daniel, en zeide voor den koning: Heb uw gaven voor uzelven, en geef uw vereringen aan een ander; ik zal nochtans het schrift voor den koning lezen, en de uitlegging zal ik hem bekend maken.Wat u aangaat, o koning! de allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnezar het koninkrijk, en grootheid, en eer, en heerlijkheid gegeven;En vanwege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natien en tongen voor hem; dien hij wilde, doodde hij, en dien hij wilde, behield hij in het leven, en dien hij wilde, verhoogde hij, en dien hij wilde, vernederde hij.Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd ter hovaardij, werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten, en men nam de eer van hem weg.En hij werd van de kinderen der mensen verstoten, en zijn hart werd den beesten gelijk gemaakt, en zijn woning was bij de woudezelen; men gaf hem gras te smaken gelijk den ossen; en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat hij bekende, dat God, de Allerhoogste, Heerser is over de koninkrijken der mensen, en over dezelve stelt, wien Hij wil.En gij, Belsazar, zijn zoon! hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles wel geweten hebt.Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.Toen is dat deel der hand van Hem gezonden, en dit schrift getekend geworden.Dit nu is het schrift, dat daar getekend is: MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN.Dit is de uitlegging dezer woorden: MENE; God heeft uw koninkrijk geteld, en Hij heeft het voleind.TEKEL; gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht gevonden.PERES; uw koninkrijk is verdeeld, en het is den Meden en den Perzen gegeven.Toen beval Belsazar, en zij bekleedden Daniel met purper, met een gouden keten om zijn hals, en zij riepen overluid van hem, dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was.In dienzelfden nacht, werd Belsazar, der Chaldeen koning, gedood.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
DAN013
Daniël 11 – De oorlogen van de koningen en de tijd van het einde (Didactische versie)
Daniël 11 beschrijft in detail profetieën over historische conflicten, onder wie Antiochus IV, en kondigt toekomstige spanningen aan. Ondanks de vervolgingen wordt de trouw aan God op de voorgrond geplaatst.
De tegenstrijdigheden
-
CTD025
Het voorhangsel van de tempel?
Deze tekst bespreekt de vermeende tegenstrijdigheid over het moment van de dood van Jezus en het scheuren van het voorhangsel van de tempel. De auteurs van de Evangeliën Matteüs, Marcus en Lucas streven niet naar een nauwkeurige chronologie, maar onderstrepen symbolisch de toegang tot de goddelijke aanwezigheid.
Markus 15.37-38 (De Heilige Schrift 1917) :En Jezus, een grote stem van Zich gegeven hebbende, gaf den geest.En het voorhangsel des tempels scheurde in tweeen, van boven tot beneden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
CTD030
Het loon van Judas?
Het artikel analyseert een schijnbare tegenstrijdigheid in de Bijbel over het gebruik van het geld van Judas. De Evangeliën tonen twee invalshoeken op de verantwoordelijkheid voor en de toewijzing van de aankoop van een akker, en onderstrepen dat er geen werkelijke tegenstrijdigheid is, maar een samenhangend verhaal dat meer symbolisch dan letterlijk is.
Mattheüs 27.6-7 (De Heilige Schrift 1917) :En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is.En te zamen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
Bediening van Petrus
-
ADA018
De opmerkelijke groei van de vroege kerk
Het artikel ADA018 becommentarieert Handelingen 5.12-16 en beschrijft de opkomst van de eerste gemeente in Jeruzalem in het voorjaar van het jaar 33. De apostelen verrichten openlijk wonderen in de zuilengang van Salomo, de gemeente groeit in aantal, mannen en vrouwen door elkaar, en de reputatie van de apostelen groeit onder het volk, ondanks het ontzag die het oordeel over Ananias en Saffira heeft gewekt. De passage legt een sterke parallel met de bediening van Jezus.
Handelingen 3.11 (De Heilige Schrift 1917) :En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, hetwelk Salomo's voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
ADA019
De arrestatie van de apostelen
Het artikel ADA019 becommentarieert Handelingen 5.17-18: geconfronteerd met de opmerkelijke groei van de gemeente in Jeruzalem laten de hogepriester en de sadduceeën, gedreven door jaloezie, de apostelen arresteren. Lucas laat zien dat het werk van Christus, ondanks het verzet van de religieuze autoriteiten, wordt voortgezet door het werk van de Heilige Geest, waarmee de belofte van Handelingen 1.8 wordt vervuld.
Handelingen 4.13 (De Heilige Schrift 1917) :Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en slechte mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
ADA020
De wonderbaarlijke bevrijding van de apostelen
Dit artikel analyseert de wonderbaarlijke bevrijding van de apostelen (Handelingen 5.19-21) in Jeruzalem in het voorjaar van het jaar 33. Gearresteerd door de hogepriester en de sadduceeën worden de apostelen 's nachts door een engel uit de gevangenis bevrijd. Lucas vertelt dit wonder sober, met nadruk op de theologische betekenis ervan en de parallellen met het Oude Testament. De engel vertrouwt de bevrijde apostelen de opdracht toe in de tempel “de woorden van dit leven” te verkondigen, een uitdrukking die de boodschap van het heil in Jezus Christus aanduidt.
Daniël 3.24-25 (De Heilige Schrift 1917) :Toen ontzette zich de koning Nebukadnezar, en hij stond op in der haast, antwoordde en zeide tot zijn raadsheren: Hebben wij niet drie mannen in het midden des vuurs, gebonden zijnde, geworpen? Zij antwoordden en zeiden tot den koning: Het is gewis, o koning!Hij antwoordde en zeide: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
ADA021
Het zoeken naar de gevangenen
Analyse van Handelingen 5.21-26: na de wonderbaarlijke bevrijding van de apostelen ontdekt het Sanhedrin de lege cellen. Lucas belicht de verwarring van de religieuze autoriteiten, de verlegenheid van de bevelhebber van de tempel en de vrees voor een reactie van het volk. Ondanks het onverklaarbare houden de religieuze leiders vast aan hun verzet en geven ze bevel tot een tweede arrestatie, wat de soevereiniteit van God over alle menselijk verzet illustreert.
Handelingen 4.27-28 (De Heilige Schrift 1917) :Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israels;Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
ADA024
De verrassende reactie van de apostelen
Na hun geseling door het Sanhedrin reageren de apostelen verrassend door zich te verheugen dat zij waardig zijn bevonden te lijden voor de naam van Jezus. Verre van ontmoedigd zetten zij elke dag hun bediening voort in de tempel en in de huizen, waar zij onderwijzen en het goede nieuws verkondigen. Lucas laat zien dat de vervolgingen het Evangelie niet tegenhouden, maar paradoxaal genoeg bijdragen aan de voortgang ervan.
Handelingen 5.42 (De Heilige Schrift 1917) :En zij hielden niet op, allen dag, in den tempel en bij de huizen, te leren, en Jezus Christus te verkondigen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
Historische aantekeningen
-
INF001
Sadduceeën
De Sadduceeën waren een aristocratische en priesterlijke groep van het oude jodendom (200 v.Chr. – 70 n.Chr.), die de Tempel van Jeruzalem en het Sanhedrin controleerde. Zij aanvaardden uitsluitend de Pentateuch en ontkenden de opstanding van de doden en het bestaan van engelen. Vijftien keer genoemd in het Nieuwe Testament, speelden zij een sleutelrol bij de veroordeling van Jezus, met name via Kajafas en Hanna. Hun verdwijning valt samen met de verwoesting van de Tempel in 70 n.Chr.
Handelingen 23.6 (De Heilige Schrift 1917) :En Paulus wetende dat het ene deel was van de Sadduceen, en het andere van de Farizeen, riep in den raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeer, eens Farizeers zoon; ik word over de hoop en opstanding der doden geoordeeld.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
INF002
De farizeeën
De farizeeën, die na de Makkabeese opstand (165 v.Chr.) verschenen, vormden een invloedrijke religieuze groep binnen het oude jodendom. Gehecht aan de geschreven en de mondelinge Thora geloofden zij in de opstanding en bleven zij dicht bij het volk. Hoewel zij in de evangeliën vaak met Jezus in conflict waren, brachten zij toch figuren voort als Nicodemus en Jozef van Arimatea. Hun leer legde na de verwoesting van de tempel in 70 n.Chr. de grondslag voor het rabbijnse jodendom.
Mattheüs 23.23 (De Heilige Schrift 1917) :Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
INF003
Het Sanhedrin
Het Sanhedrin was de hoogste religieuze, rechterlijke en wetgevende instantie van het jodendom ten tijde van de Tweede Tempel (2e eeuw v.Chr. – 70 n.Chr.). Het bestond uit 71 leden, zetelde in Jeruzalem, legde de Thora uit, beslechtte belangrijke geschillen en hield toezicht op de Hebreeuwse kalender. Het wordt genoemd in de evangeliën en beschreven in de rabbijnse literatuur; na 70 n.Chr. verdwijnt het, maar zijn model blijft de Joodse organisatie en het Joodse rechtsdenken inspireren.
-
INF043
De deuteronomistische bron
De deuteronomistische bron (D) is een van de vier hypothetische bronnen van de Thora volgens de documentenhypothese. Zij is verbonden met het boek Deuteronomium en onderscheidt zich door een homiletische stijl, een verbondstheologie en de nadruk op de centralisatie van de eredienst in Jeruzalem. Zij wordt gedateerd in de 7e eeuw v.Chr., hangt samen met de religieuze hervormingen van koning Josia en heeft ook invloed op de geschiedboeken van Jozua tot 2 Koningen.
1 Koningen 1.1 (De Heilige Schrift 1917) :De koning David nu was oud, wel bedaagd; en zij dekten hem met klederen, doch hij kreeg gene warmte.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
INF044
De priesterlijke bron
De priesterlijke bron (P) is een van de vier hypothetische bronnen van de Thora volgens de documentenhypothese. Gekenmerkt door een formele en herhalende stijl legt zij de nadruk op rituelen, reinheidswetten, genealogieën en cultische ceremonies. Zij stelt God voor als transcendent en majesteitelijk. Gedateerd in de Babylonische ballingschap of de postexilische periode (6e-5e eeuw v.Chr.) zou zij zijn geschreven door priesters van de tempel van Jeruzalem. De geldigheid ervan blijft onder hedendaagse onderzoekers omstreden.
Exodus 25-40 (De Heilige Schrift 1917) :Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:Spreek tot de kinderen Israels, dat zij voor Mij een hefoffer nemen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult gij Mijn hefoffer nemen.Dit nu is het hefoffer, hetwelk gij van hen nemen zult: goud, en zilver, en koper;Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar.En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen; en sittimhout;Olie tot den luchter, specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;Sardonixstenen, en vervullende stenen tot den efod, en tot den borstlap.En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.Naar al wat Ik u tot een voorbeeld dezes tabernakels, en een voorbeeld van al deszelfs gereedschap wijzen zal, even alzo zult gijlieden dat maken.Zo zullen zij een ark van sittimhout maken; twee ellen en een halve zal haar lengte zijn, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte.En gij zult ze met louter goud overtrekken, van binnen en van buiten zult gij ze overtrekken; en gij zult op dezelve een gouden krans maken rondom heen.En giet voor haar vier gouden ringen, en zet die aan haar vier hoeken, alzo dat twee ringen op de ene zijde derzelve zijn, en twee ringen op haar andere zijde.En maak handbomen van sittimhout, en overtrek ze met goud.En steek de handbomen in de ringen, die aan de zijde der ark zijn, dat men de ark daarmede drage.De draagbomen zullen in de ringen der ark zijn; zij zullen er niet uitgetogen worden.Daarna zult gij in de ark leggen de getuigenis, die Ik u geven zal.Gij zult ook een verzoendeksel maken van louter goud; twee ellen en een halve zal deszelfs lengte zijn, en anderhalve el deszelfs breedte.Gij zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult gij ze maken, uit de beide einden des verzoendeksels.En maak u een cherub uit het ene einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel zult gijlieden de cherubim maken, uit de beide einden van hetzelve.En de cherubim zullen hun beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover elkander zijn; de aangezichten der cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn.En gij zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, nadat gij in de ark de getuigenis, die Ik u geven zal, zult gelegd hebben.En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark der getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen Israels.Gij zult ook een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn.En gij zult ze met louter goud overtrekken; gij zult ook een gouden krans daaraan maken, rondom heen.Gij zult ook een lijst rondom daaraan maken, een hand breed; en gij zult een gouden krans rondom derzelver lijst maken.Ook zult gij vier gouden ringen daaraan maken; en gij zult de ringen zetten aan de vier hoeken, die aan derzelver vier voeten zijn zullen.Tegenover de lijst zullen de ringen zijn, tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.Deze handbomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult dezelve met goud overtrekken; en de tafel zal daaraan gedragen worden.Gij zult ook maken haar schotelen, en haar rookschalen, en haar platelen, en haar kroezen (met welke zij bedekt zal worden); van louter goud zult gij ze maken.En gij zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen.Gij zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn.En zes rieten zullen uit zijn zijden uitgaan; drie rieten des kandelaars uit zijn ene zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijn andere zijde.In het ene riet zullen drie schaaltjes zijn, gelijk amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem; alzo zullen die zes rieten zijn, die uit den kandelaar gaan.Maar aan den kandelaar zelven zullen vier schaaltjes zijn, gelijk amandelnoten, met zijn knopen, en met zijn bloemen.En daar zal een knoop zijn onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; alzo zal het zijn met de zes rieten, die uit den kandelaar uitgaan.Hun knopen en hun rieten zullen uit hem zijn; het zal altemaal een enig dicht werk van louter goud zijn.Gij zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen aansteken, en doen lichten aan zijn zijden.Zijn snuiters en zijn blusvaten zullen louter goud zijn.Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.Zie dan toe, dat gij het maakt naar hun voorbeeld, hetwelk u op den berg getoond is.Den tabernakel nu zult gij maken van tien gordijnen, van fijn getweernd linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, met cherubim; van het allerkunstelijkste werk zult gij ze maken.De lengte van een gordijn zal van acht en twintig ellen zijn, en de breedte ener gordijn van vier ellen; al deze gordijnen zullen een maat hebben.Er zullen vijf gordijnen samengevoegd zijn, de een aan de andere; wederom zullen er vijf gordijnen samengevoegd zijn, de een aan de andere.En gij zult hemelsblauwe striklisjes maken aan den kant van de ene gordijn, aan het uiterste, in de samenvoeging; alzo zult gij ook doen aan den uitersten kant der gordijn, aan de tweede samenvoegende.Vijftig striklisjes zult gij aan de ene gordijn maken, en vijftig striklisjes zult gij maken aan het uiterste der gordijn, dat aan de tweede samenvoegende is; deze striklisjes zullen het ene aan het andere samenvatten.Gij zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de gordijnen samenvoegen, de ene aan de andere, met deze haakjes, opdat het een tabernakel zij.Ook zult gij gordijnen uit geiten haar maken tot een tent over den tabernakel; van elf gordijnen zult gij die maken.De lengte ener gordijn zal dertig ellen zijn, en de breedte ener gordijn vier ellen; deze elf gordijnen zullen een maat hebben.En gij zult vijf dezer gordijnen aan elkander bijzonder voegen, en zes dezer gordijnen bijzonder; en de zesde dezer gordijnen zult gij dubbel maken, recht voorop de tent.En gij zult vijftig striklisjes maken aan den kant van de ene gordijn, het uiterste in de samenvoeging, en vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn, die de tweede samenvoegende is.Gij zult ook vijftig koperen haakjes maken, en gij zult de haakjes in de striklisjes doen, en gij zult de tent samenvoegen, dat zij een zij.Het overige nu, dat overschiet aan de gordijnen der tent, de helft der gordijn, die overschiet, zal overhangen, aan de achterste delen des tabernakels.En een el van deze, en een el van gene zijde van hetgeen, dat overig zijn zal aan de lengte van de gordijnen der tent, zal overhangen aan de zijden des tabernakels, aan deze en aan gene zijde, om dien te bedekken.Gij zult ook voor de tent een deksel maken van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen.Gij zult ook tot den tabernakel staande berderen maken, van sittimhout.De lengte van een berd zal tien ellen zijn, en een el en een halve el zal de breedte van elk berd zijn.Twee houvasten zal een berd hebben, als sporten in een ladder gezet, het ene nevens het andere; alzo zult gij het met al de berderen des tabernakels maken.En de berderen tot den tabernakel zult gij aldus maken: twintig berderen naar de zuidzijde zuidwaarts.Gij zult ook veertig zilveren voeten maken onder de twintig berderen; twee voeten onder een berd, aan zijn twee houvasten, en twee voeten onder een ander berd, aan zijn twee houvasten.Er zullen ook twintig berderen zijn aan de andere zijde des tabernakels, aan den noorderhoek,Met hun veertig zilveren voeten; twee voeten onder een berd, en twee voeten onder een ander berd.Doch aan de zijde des tabernakels tegen het westen zult gij zes berderen maken.Ook zult gij twee berderen maken tot de hoekberderen des tabernakels, aan de beide zijden.En zij zullen van beneden als tweelingen samengevoegd zijn; zij zullen ook als tweelingen aan het oppereinde deszelven samengevoegd zijn, met een ring; alzo zal het met de twee berderen zijn; tot twee hoekberderen zullen zij zijn.Alzo zullen de acht berderen zijn met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten; twee voeten onder een berd, wederom twee voeten onder een berd.Gij zult ook richelen maken van sittimhout; vijf aan de berderen van de ene zijde des tabernakels;En vijf richelen aan de berderen van de andere zijde des tabernakels; alsook vijf richelen aan de berderen van de zijde des tabernakels, aan de beide zijden westwaarts.En de middelste richel zal midden aan de berderen zijn, doorschietende van het ene einde tot het andere einde.En gij zult de berderen met goud overtrekken, en hun ringen (de plaatsen voor de richelen) zult gij van goud maken; de richelen zult gij ook met goud overtrekken.Dan zult gij den tabernakel oprichten naar zijn wijze, die u op den berg getoond is.Daarna zult gij een voorhang maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk zal men dien maken, met cherubim.En gij zult hem hangen aan vier pilaren van sittim hout, met goud overtogen; hun haken zullen van goud zijn; staande op vier zilveren voeten.En gij zult den voorhang onder de haakjes hangen, en gij zult de ark der getuigenis aldaar binnen den voorhang brengen; en deze voorhang zal ulieden een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige der heiligen.En gij zult het verzoendeksel zetten op de ark der getuigenis, in het heilige der heiligen.De tafel nu zult gij zetten buiten den voorhang, en den kandelaar tegen de tafel over, aan de ene zijde des tabernakels, zuidwaarts; maar de tafel zult gij zetten aan de noordzijde.Gij zult ook aan de deur der tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk.En gij zult tot dit deksel vijf pilaren van sittim hout maken, en die met goud overtrekken; hun haken zullen van goud zijn; en gij zult hun vijf koperen voeten gieten.Gij zult ook een altaar maken van sittimhout; vijf ellen zal de lengte zijn, en vijf ellen de breedte (vierkant zal dit altaar zijn), en drie ellen zijn hoogte.En gij zult zijn hoornen maken op zijn vier hoeken; uit hetzelve zullen zijn hoornen zijn, en gij zult het met koper overtrekken.Gij zult het ook potten maken, om zijn as te ontvangen, ook zijn schoffelen, en zijn besprengbekkens, en zijn krauwelen, en zijn koolpannen; al zijn gereedschap zult gij van koper maken.Gij zult het een rooster maken van koperen netwerk; en gij zult aan dat net vier koperen ringen maken aan zijn vier einden.En gij zult het onder den omloop des altaars van beneden opleggen, alzo dat het net tot het midden des altaars zij.Gij zult ook handbomen maken tot het altaar, handbomen van sittimhout; en gij zult ze met koper overtrekken.En de handbomen zullen in de ringen gedaan worden, alzo dat de handbomen zijn aan beide zijden des altaars, als men het draagt.Gij zult hetzelve hol van planken maken; gelijk als Hij u op den berg gewezen heeft, alzo zullen zij doen.Gij zult ook den voorhof des tabernakels maken; aan den zuidhoek zuidwaarts, zullen aan den voorhof behangselen zijn van fijn getweernd linnen; de lengte ener zijde zal honderd ellen zijn.Ook zullen zijn twintig pilaren, en derzelver twintig voeten, van koper zijn; de haken dezer pilaren, en hun banden zullen van zilver zijn.Alzo zullen ook aan den noorderhoek, in de lengte, de behangsels honderd ellen lang zijn; en zijn twintig pilaren, en derzelver twintig voeten, van koper; de haken der pilaren, en derzelver banden zullen van zilver zijn.En in de breedte des voorhofs, aan den westerhoek, zullen behangselen zijn van vijftig ellen; hun pilaren tien, en derzelver voeten tien.Van gelijken zal de breedte des voorhofs, aan den oosterhoek oostwaarts, van vijftig ellen zijn.Alzo dat er vijftien ellen der behangselen op de ene zijde zijn; hun pilaren drie, en hun voeten drie;En vijftien ellen der behangselen aan de andere zijde; hun pilaren drie, en hun voeten drie.In de poort nu des voorhofs zal een deksel zijn van twintig ellen, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk; de pilaren vier, en hun voeten vier.Al de pilaren des voorhofs zullen rondom met zilveren banden bezet zijn; hun haken zullen van zilver zijn, maar hun voeten zullen van koper zijn.De lengte des voorhofs zal honderd ellen zijn, en de breedte doorgaans vijftig, en de hoogte vijf ellen, van fijn getweernd linnen; maar hun voeten zullen van koper zijn.Aangaande al het gereedschap des tabernakels, in al deszelfs dienst, ja, al zijn pennen, en al de pennen des voorhofs, zullen van koper zijn.Gij nu zult den kinderen Israels gebieden, dat zij tot u brengen reine olie van olijven, gestoten tot den luchter, dat men geduriglijk de lampen aansteke.In de tent der samenkomst, van buiten den voorhang, die voor de getuigenis is, zal ze Aaron en zijn zonen toerichten, van den avond tot den morgen, voor het aangezicht des HEEREN; dit zal een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten, vanwege de kinderen Israels.Daarna zult gij uw broeder Aaron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden der kinderen Israels, om Mij het priesterambt te bedienen: namelijk Aaron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aaron.En gij zult voor uw broeder Aaron heilige klederen maken, tot heerlijkheid en tot sieraad.Gij zult ook spreken tot allen, die wijs van hart zijn, die Ik met den geest der wijsheid vervuld heb, dat zij voor Aaron klederen maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene.Dit nu zijn de klederen, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broeder Aaron heilige klederen maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.Zij zullen ook het goud, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen nemen;En zullen den efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk.Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.En de kunstelijke riem zijns efods, die op hem is, zal zijn gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.En gij zult twee sardonixstenen nemen, en de namen der zonen van Israel daarop graveren.Zes van hun namen op een steen, en de zes overige namen op den anderen steen, naar hun geboorten;Naar steensnijderswerk, gelijk men de zegelen graveert, zult gij deze twee stenen graveren, met de namen der zonen van Israel; gij zult ze maken, dat zij omvat zijn in gouden kastjes.En gij zult de twee stenen aan de schouderbanden des efods zetten, zijnde stenen ter gedachtenis voor de kinderen Israels; en Aaron zal hun namen op zijn beide schouders dragen, ter gedachtenis, voor het aangezicht des HEEREN.Gij zult ook gouden kastjes maken,En twee ketentjes van louter goud; gelijk-eindigende zult gij die maken, gedraaid werk; en de gedraaide ketentjes zult gij aan de kastjes hechten.Gij zult ook een borstlap des gerichts maken, van het allerkunstelijkste werk, gelijk het werk des efods zult gij hem maken; van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en van fijn getweernd linnen zult gij hem maken.Vierkant zal hij zijn, en verdubbeld; een span zal zijn lengte zijn, en een span zijn breedte.En gij zult vervullende stenen daarin vullen, vier rijen stenen, een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier, en een Diamant.En de derde rij, een Hyacint, Agaat en Amethist.En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; zij zullen met goud ingevat zijn in hun vullingen.En deze stenen zullen zijn met de twaalf namen der zonen van Israel, met hun namen; zij zullen als zegelen gegraveerd worden, elk met zijn naam; voor de twaalf stammen zullen zij zijn.Gij zult ook aan den borstlap gelijk-eindigende ketentjes van gedraaid werk uit louter goud maken.Gij zult ook aan den borstlap twee gouden ringen maken; en gij zult de twee ringen aan de twee einden van den borstlap zetten.Dan zult gij de twee gedraaide gouden ketentjes in de twee ringen doen, aan de einden van den borstlap.Maar de twee einden der twee gedraaide ketentjes zult gij aan die twee kastjes doen; en gij zult ze zetten aan de schouderbanden van den efod, recht op de voorste zijde van dien.Gij zult nog twee gouden ringen maken, en zult ze aan de twee einden des borstlaps zetten; inwendig aan zijn rand, die aan de zijde van den efod zijn zal.Nog zult gij twee gouden ringen maken, die gij zetten zult aan de twee schouderbanden van den efod, beneden aan de voorste zijde, tegenover zijn voege, boven den kunstelijken riem des efods.En zij zullen den borstlap met zijn ringen aan de ringen van den efod opwaarts binden, met een hemelsblauw snoer, dat hij op den kunstelijken riem van den efod zij; en de borstlap zal van den efod niet afgescheiden worden.Alzo zal Aaron de namen der zonen van Israel dragen aan den borstlap des gerichts, op zijn hart, als hij in het heilige zal gaan, ter gedachtenis voor het aangezicht des HEEREN geduriglijk.Gij zult ook in den borstlap des gerichts de Urim en de Thummim zetten, dat zij op het hart van Aaron zijn, als hij voor het aangezicht des HEEREN ingaan zal; alzo zal Aaron dat gericht der kinderen Israels geduriglijk op zijn hart dragen, voor het aangezicht des HEEREN.Gij zult ook den mantel des efods geheel van hemelsblauw maken.En het hoofdgat deszelven zal in het midden daarvan zijn; dit gat zal een boord rondom hebben van geweven werk; als het gat eens pantsiers zal het daaraan zijn, dat het niet gescheurd worde.En aan deszelfs zomen zult gij granaatappelen maken van hemelsblauw, en van purper, en van scharlaken, aan zijn zomen rondom, en gouden schelletjes rondom tussen dezelve.Dat er een gouden schelletje, daarna een granaatappel zij; wederom een gouden schelletje, en een granaatappel, aan de zomen des mantels rondom.En Aaron zal denzelven aanhebben, om te dienen; opdat zijn geluid gehoord worde, als hij in het heilige, voor het aangezicht des HEEREN, ingaat, en als hij uitgaat, opdat hij niet sterve.Verder zult gij een plaat maken van louter goud, en gij zult daarin graveren, gelijk men de zegelen graveert: De HEILIGHEID DES HEEREN!En gij zult dezelve aanhechten met een hemelsblauw snoer, alzo dat zij aan den hoed zij; aan de voorste zijde des hoeds zal zij zijn.En zij zal op het voorhoofd van Aaron zijn, opdat Aaron drage de ongerechtigheid der heilige dingen, welke de kinderen Israels zullen geheiligd hebben, in alle gaven hunner geheiligde dingen; en zij zal geduriglijk aan zijn voorhoofd zijn, om henlieden voor het aangezicht des HEEREN aangenaam te maken.Gij zult ook een rok vol oogjes maken, van fijn linnen; gij zult ook den hoed van fijn linnen maken; maar den gordel zult gij van geborduurd werk maken.Voor de zonen van Aaron zult gij ook rokken maken, en gij zult voor hen gordels maken; ook zult gij voor hen mutsen maken, tot heerlijkheid en sieraad.En gij zult die uw broeder Aaron en ook zijn zonen aantrekken; en gij zult hen zalven, en hun hand vullen, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen.Maak hun ook linnen onderbroeken, om het vlees der schaamte te bedekken; zij zullen zijn van de lenden tot de dijen.Aaron nu en zijn zonen zullen die aanhebben, als zij in de tent der samenkomst gaan, of als zij tot het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. Dit zal een eeuwige inzetting zijn, voor hem, en zijn zaad na hem.Dit nu is de zaak, die gij hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen: neem een var, het jong eens runds, en twee volkomen rammen;En ongezuurd brood, en ongezuurde koeken, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken; van tarwemeelbloem zult gij dezelve maken.En gij zult ze in een korf leggen, en zult ze in den korf toebrengen, met den var en de twee rammen.Alsdan zult gij Aaron en zijn zonen doen naderen aan de deur van de tent der samenkomst; en gij zult hen met water wassen.Daarna zult gij de klederen nemen, en Aaron den rok, en den mantel des efods, en den efod, en den borstlap aandoen; en gij zult hem omgorden met den kunstelijken riem des efods.En gij zult den hoed op zijn hoofd zetten; de kroon der heiligheid zult gij aan den hoed zetten.En gij zult de zalfolie nemen, en op zijn hoofd gieten; alzo zult gij hem zalven.Daarna zult gij zijn zonen doen naderen, en zult hen de rokken doen aantrekken.En gij zult hen met den gordel omgorden, namelijk Aaron en zijn zonen; en gij zult hun de mutsen opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Voorts zult gij de hand van Aaron vullen, en de hand zijner zonen.En gij zult den var nabij brengen voor de tent der samenkomst; en Aaron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van den var leggen.En gij zult den var slachten voor het aangezicht des HEEREN, voor de deur van de tent der samenkomst.Daarna zult gij van het bloed des vars nemen, en met uw vinger op de hoornen des altaars doen; en al het bloed zult gij uitgieten aan den bodem des altaars.Gij zult ook al het vet nemen, hetwelk het ingewand bedekt, en het net over de lever, en beide nieren en het vet, dat aan dezelve is, en gij zult ze aansteken op het altaar.Maar het vlees des vars, en zijn vel, en zijn drek, zult gij met vuur verbranden, buiten het leger; het is een zondoffer.Daarna zult gij den enen ram nemen, en Aaron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd des rams leggen;En gij zult den ram slachten, en gij zult zijn bloed nemen, en rondom op het altaar sprengen.En den ram zult gij in zijn delen delen; en gij zult zijn ingewand en zijn schenkelen wassen, en op zijn delen, en op zijn hoofd leggen.Alzo zult gij den gehelen ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer den HEERE, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer den HEERE.Daarna zult gij den anderen ram nemen, en Aaron en zijn zonen zullen hun handen op des rams hoofd leggen;En gij zult den ram slachten, en van zijn bloed nemen, en doen het op het rechter oorlapje van Aaron, en op het rechteroorlapje van zijn zonen, desgelijks op den duim hunner rechterhand, en op den groten teen huns rechtervoets; en dat bloed zult gij op het altaar sprengen, rondom heen.Dan zult gij nemen van het bloed, dat op het altaar is, en van de zalfolie, en gij zult op Aaron en op zijn klederen sprengen, en op zijn zonen en op de klederen zijner zonen met hem; opdat hij geheiligd zij, en zijn klederen, ook zijn zonen, en de klederen zijner zonen met hem.Daarna zult gij van den ram nemen het vet mitsgaders den staart, ook het vet, dat het ingewand bedekt, en het net der lever en de beide nieren, met het vet, dat aan dezelve is, en den rechterschouder; want het is een ram der vulofferen;En een broodbol, en een koek geolied brood, en een vlade, uit den korf der ongezuurde broden, die voor het aangezicht des HEEREN zijn zal;En leg ze alle op de handen van Aaron, en op de handen zijner zonen, en beweeg ze ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN.Neem ze daarna van hun hand, en steek ze aan op het altaar, op het brandoffer, tot een liefelijken reuk voor het aangezicht des HEEREN; het is een vuuroffer den HEERE.En neem de borst van den ram der vulofferen, die van Aaron is, en beweeg hem ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; en het zal u ten dele zijn.En gij zult de borst des beweegoffers heiligen, en den schouder des hefoffers, die bewogen, en die opgeheven zal zijn van den ram des vuloffers, van hetgeen dat Aarons, en van hetgeen dat zijner zonen is.En het zal voor Aaron en zijn zonen zijn tot een eeuwige inzetting vanwege de kinderen Israels; want het is een hefoffer; en het hefoffer vanwege de kinderen Israels zal zijn van hun dankofferen; hun hefoffer zal voor den HEERE zijn.De heilige klederen nu, die van Aaron zullen geweest zijn, zullen van zijn zonen na hem zijn, opdat men hen in dezelve zalve, en dat men hun hand in dezelve vulle.Zeven dagen zal hij ze aantrekken, die uit zijn zonen in zijn plaats priester zal worden, die in de tent der samenkomst gaan zal, om in het heilige te dienen.Gij zult den ram der vulling nemen, en gij zult zijn vlees in de heilige plaats zieden.Aaron nu en zijn zonen zullen het vlees van dezen ram eten, en het brood, dat in den korf zal zijn, bij de deur van de tent der samenkomst.En zij zullen die dingen eten, met welke de verzoening zal gedaan zijn, om hun hand te vullen, en om hen te heiligen; maar een vreemde zal ze niet eten, want ze zijn heilig.En indien er wat overblijven zal van het vlees der vulofferen, of van dit brood, tot aan den morgen, zo zult gij het overgeblevene met vuur verbranden; het zal niet gegeten worden, want het is heilig.Gij zult dan aan Aaron en aan zijn zonen alzo doen, naar alles, wat Ik u geboden heb; zeven dagen zult gij hun hand vullen.Gij zult ook des daags een var des zondoffers bereiden, tot de verzoeningen, en gij zult het altaar ontzondigen, mits doende de verzoening over hetzelve; en gij zult het zalven, om het te heiligen.Zeven dagen zult gij verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; alsdan zal dat altaar een heiligheid der heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zal heilig zijn.Dit nu is het, wat gij op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, des daags, geduriglijk.Het ene lam zult gij des morgens bereiden; maar het andere lam zult gij bereiden tussen de twee avonden.Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam.Het andere lam nu zult gij bereiden tussen de twee avonden; gij zult daarmede doen gelijk met het morgenspijsoffer, en gelijk met het drankoffer deszelven, tot een liefelijken reuk; het is een vuuroffer den HEERE.Het zal een gedurig brandoffer zijn bij uw geslachten, aan de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN; aldaar zal Ik met ulieden komen, dat Ik aldaar met u spreke.En daar zal Ik komen tot de kinderen Israels; opdat zij geheiligd worden door Mijn heerlijkheid.En Ik zal de tent der samenkomst heiligen, mitsgaders het altaar; Ik zal ook Aaron en zijn zonen heiligen, opdat zij Mij het priesterambt bedienen.En Ik zal in het midden der kinderen Israels wonen, en Ik zal hun tot een God zijn.En zij zullen weten, dat Ik de HEERE hun God ben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik in het midden van hen wonen zou; Ik ben de HEERE, hun God.Gij zult ook een reukaltaar des reukwerks maken; van sittimhout zult gij het maken.Een el zal zijn lengte zijn, en een el zijn breedte, vierkant zal het zijn, maar twee ellen deszelfs hoogte; uit hetzelve zullen zijn hoornen zijn.En gij zult het met louter goud overtrekken, zijn dak en deszelfs wanden rondom, als ook zijn hoornen; en gij zult het een gouden krans rondom maken.Gij zult ook twee gouden ringen daaraan maken, onder zijn krans; aan zijn twee zijden zult gij dezelve maken, aan zijn beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmede drage.De draagbomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult die met goud overtrekken.En gij zult het zetten voor den voorhang, die voor de ark der getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, hetwelk zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal.En Aaron zal daarop aansteken welriekende specerijen; allen morgen, als hij de lampen wel zal toegericht hebben, zal hij dezelve aansteken.En als Aaron de lampen aansteken zal, tussen de twee avonden, zal hij dat aansteken; het zal een gedurig reukwerk zijn, voor het aangezicht des HEEREN, bij uw geslachten.Gij zult geen vreemd reukwerk op hetzelve aansteken, noch brandoffer, noch spijsoffer; gij zult ook geen drankoffer daarop gieten.En Aaron zal eens in het jaar over deszelfs hoornen verzoening doen, met het bloed des zondoffers der verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid der heiligheden den HEERE!Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:Als gij de som van de kinderen Israels opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een iegelijk de verzoening zijner ziel den HEERE geven, als gij hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als gij hen tellen zult.Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft eens sikkels, naar den sikkel des heiligdoms (deze sikkel is twintig gera); de helft eens sikkels is een hefoffer den HEERE.Al wie overgaat tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, zal het hefoffer des HEEREN geven.De rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal niet verminderen van de helft des sikkels, als gij het hefoffer des HEEREN geeft om voor uw zielen verzoening te doen.Gij dan zult het geld der verzoeningen van de kinderen Israels nemen, en zult het leggen tot den dienst van de tent der samenkomst; en het zal den kinderen Israels ter gedachtenis zijn, voor het aangezicht des HEEREN, om voor uw zielen verzoening te doen.En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:Gij zult ook een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te wassen; en gij zult het zetten tussen de tent der samenkomst, en tussen het altaar, en gij zult water daarin doen;Dat Aaron en zijn zonen zich daaruit wassen, hun handen en voeten.Wanneer zij in de tent der samenkomst zullen gaan, zo zullen zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij tot het altaar naderen, om te dienen, dat zij het vuuroffer den HEERE aansteken;Zij zullen dan hun handen en voeten wassen, opdat zij niet sterven; en dit zal hun een eeuwige inzetting zijn, voor hem en zijn zaad, bij hun geslachten.Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:Gij nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels;Ook kassie, vijfhonderd, naar den sikkel des heiligdoms, en olie van olijfbomen een hin;En maak daarvan een olie der heilige zalving, een zalf, heel kunstiglijk gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie der heilige zalving zijn.En met dezelve zult gij zalven de tent der samenkomst, en de ark der getuigenis.En de tafel met al haar gereedschap, en den kandelaar met zijn gereedschap, en het reukaltaar;En het altaar des brandoffers, met al zijn gereedschap, en het wasvat met zijn voet.Gij zult ze alzo heiligen, dat zij heiligheid der heiligheden zijn; al wat ze aanroert, zal heilig zijn.Gij zult ook Aaron en zijn zonen zalven, en gij zult hen heiligen, om Mij het priesterambt te bedienen.En gij zult tot de kinderen Israels spreken, zeggende: Dit zal Mij een olie der heilige zalving zijn bij uw geslachten.Op geens mensen vlees zal men ze gieten; gij zult ook naar haar maaksel geen dergelijke maken; het is heiligheid, zij zal ulieden heiligheid zijn.De man, die zulk een zalf maken zal als deze, of die daarvan op wat vreemds doet, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken.Verder zeide de HEERE tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij.En gij zult een reukwerk ener zalf daaruit maken, naar het werk des apothekers, gemengd, rein, heilig.En gij zult van hetzelve heel klein pulver stoten, en gij zult daarvan leggen voor de getuigenis in de tent der samenkomst, waarheen Ik tot u komen zal; het zal ulieden heiligheid der heiligheden zijn.Doch naar het maaksel dezes reukwerks, hetwelk gij gemaakt zult hebben, zult gijlieden voor uzelven geen maken; het zal u heiligheid zijn voor den HEERE.De man, die dergelijke maken zal, om daaraan te rieken, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken.Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:Zie, Ik heb met name geroepen Bezaleel, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda.En Ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;Om te bedenken vernuftigen arbeid; te werken in goud, en in zilver, en in koper,En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk.En Ik, zie, Ik heb hem bijgevoegd Aholiab, den zoon van Ahisamach, van den stam van Dan; en in het hart van een iegelijk, die wijs van hart is, heb Ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat Ik u geboden heb.Namelijk de tent der samenkomst, en de ark der getuigenis, en het verzoendeksel, dat daarop zal zijn, en al het gereedschap der tent;En de tafel, met haar gereedschap; en den louteren kandelaar, met al zijn gereedschap; en het reukaltaar;Ook des brandoffers altaar, met al zijn gereedschap; en het wasvat met zijn voet;En de ambtsklederen, en de heilige klederen van den priester Aaron, en de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen;Ook de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen voor het heiligdom; naar alles, wat Ik u geboden heb, zullen zij het maken.Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:Gij nu, spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE ben, Die u heilige.Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op denzelven enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken.Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN! Wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden.Dat dan de kinderen Israels den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond.Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israels een teken in eeuwigheid zijn; dewijl de HEERE, in zes dagen, den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en Zich verkwikt heeft.En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op den berg Sinai te spreken geeindigd had, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods.Toen het volk zag, dat Mozes vertoog van den berg af te komen, zo verzamelde zich het volk tot Aaron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.Aaron nu zeide tot hen: Rukt af de gouden oorsierselen, die in de oren uwer vrouwen, uwer zonen, en uwer dochteren zijn; en brengt ze tot mij.Toen rukte het ganse volk de gouden oorsierselen af, die in hun oren waren; en zij brachten ze tot Aaron.En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israel! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.Als Aaron dat zag, zo bouwde hij een altaar voor hetzelve; en Aaron riep uit, en zeide: Morgen zal den HEERE een feest zijn!En zij stonden des anderen daags vroeg op, en offerden brandoffer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neder om te eten en te drinken; daarna stonden zij op, om te spelen.Toen sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, klim af! want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven.En zij zijn haast afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uw goden, Israel, die u uit Egypteland opgevoerd hebben.Verder zeide de HEERE tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere; zo zal Ik u tot een groot volk maken.Doch Mozes aanbad het aangezicht des HEEREN zijns Gods, en hij zeide: O HEERE! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, hetwelk Gij met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt?Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van den aardbodem? Keer af van de hittigheid Uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen.Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israel, Uw knechten, aan welke Gij bij Uzelven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels; en dit gehele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan ulieder zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid.Toen berouwde het den HEERE over het kwaad, hetwelk Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen.En Mozes wendde zich om, en klom van den berg af, met de twee tafelen der getuigenis in zijn hand; deze tafelen waren op haar beide zijden beschreven, zij waren op de ene en op de andere zijde beschreven.En diezelfde tafelen waren Gods werk; het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd.Toen nu Jozua des volks stem hoorde, als het juichte, zo zeide hij tot Mozes: Er is een krijgsgeschrei in het leger.Maar hij zeide: Het is geen stem des geroeps van overwinning, het is ook geen stem des geroeps van nederlaag; ik hoor een stem van zingen bij beurte.En het geschiedde, als hij aan het leger naderde, en het kalf, en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijn handen wierp, en dezelve beneden aan den berg verbrak.En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, en vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water, en deed het den kinderen Israels drinken.En Mozes zeide tot Aaron: Wat heeft u dit volk gedaan, dat gij zulk een grote zonde over hetzelve gebracht hebt?Toen zeide Aaron: De toorn mijns heren ontsteke niet! gij kent dit volk, dat het in den boze ligt.Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan, want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland opgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.Toen zeide ik tot hen: Wie goud heeft, die rukke het af, en geve het mij; en ik wierp het in het vuur, en dit kalf is er uit gekomen.Als Mozes zag, dat het volk ontbloot was, (want Aaron had het ontbloot tot verkleining onder degenen, die tegen hen hadden mogen opstaan),Zo bleef Mozes staan in de poort des legers, en zeide: Wie den HEERE toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi.En hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup; gaat door en keert weder, van poort tot poort in het leger, en een iegelijk dode zijn broeder, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste!En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes; en er vielen van het volk, op dien dag, drie duizend man.Want Mozes had gezegd: Vult heden uw handen den HEERE; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broeder; en dit, opdat Hij heden een zegen over ulieden geve!En het geschiedde des anderen daags, dat Mozes tot het volk zeide: Gijlieden hebt een grote zonde gezondigd; doch nu, ik zal tot den HEERE opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde.Zo keerde Mozes weder tot den HEERE, en zeide: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben.Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt.Toen zeide de HEERE tot Mozes: Dien zou Ik uit Mijn boek delgen, die aan Mij zondigt.Doch ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb; zie, Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan! doch ten dage Mijns bezoekens, zo zal Ik hun zonde over hen bezoeken!Aldus plaagde de HEERE dit volk, omdat zij dat kalf gemaakt hadden, hetwelk Aaron gemaakt had.Voorts sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven;En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaanieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten),Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want gij zijt een hardnekkig volk; dat Ik u op dezen weg niet vertere.Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich.En de HEERE had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israels: Gij zijt een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal.De kinderen Israels dan beroofden zichzelven van hun versierselen, verre van den berg Horeb.En Mozes nam de tent, en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tent der samenkomst. En het geschiedde, dat al wie den HEERE zocht, uitging tot de tent der samenkomst, die buiten het leger was.En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tent, stond al het volk op, en een ieder stelde zich in de deur zijner tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent ingegaan was.En het geschiedde, als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolom nederwaarts, en stond in de deur der tent, en Hij sprak met Mozes.Als het volk de wolkkolom zag staan in de deur der tent, zo stond al het volk op, en zij bogen zich, een ieder in de deur zijner tent.En de HEERE sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weder tot het leger; doch zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden der tent.En Mozes zeide tot den HEERE: Zie, Gij zegt tot mij: Voer dit volk op! maar Gij laat mij niet weten, wien Gij met mij zult zenden; daar Gij gezegd hebt: Ik ken u bij name! en ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen!Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is!Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen?Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken!Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op den aardbodem is.Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ook deze zelfde zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen, en Ik u bij name ken.Toen zeide hij: Toon mij nu Uw heerlijkheid!Doch Hij zeide: Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal den Naam des HEEREN uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn, wien Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wien Ik Mij ontfermen zal.Hij zeide verder: Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven.De HEERE zeide verder: Zie, er is een plaats bij Mij; daar zult gij u op de steenrots stellen.En het zal geschieden, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof der steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn.En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult gij Mijn achterste delen zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden!Toen zeide de HEERE tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die gij gebroken hebt.En wees bereid tegen den morgenstond; dat gij in den morgenstond op den berg Sinai klimt, en stel u aldaar voor Mij, op den top des bergs.En niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op den gansen berg; ook het kleine vee, noch runderen zullen tegenover dezen berg niet weiden.Toen hieuw hij twee stenen tafelen, gelijk de eerste; en Mozes stond des morgens vroeg op, en klom op den berg Sinai, gelijk als hem de HEERE geboden had; en hij nam de twee stenen tafelen in zijn hand.De HEERE nu kwam nederwaarts in een wolk, en stelde Zich aldaar bij hem; en Hij riep uit den Naam des HEEREN.Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid.Mozes nu haastte zich en neigde het hoofd ter aarde, en hij boog zich.En hij zeide: Heere! indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heere in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; doch vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel!Toen zeide Hij: Zie, Ik maak een verbond; voor uw ganse volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de ganse aarde, noch onder enige volken; alzo dat dit ganse volk, in welks midden gij zijt, des HEEREN werk zien zal, dat het schrikkelijk is, hetwelk Ik met u doe.Onderhoudt gij hetgeen Ik u heden gebiede! zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanaanieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten.Wacht u, dat gij toch geen verbond maakt met den inwoner des lands, waarin gij komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u.Maar hun altaren zult gijlieden omwerpen, en hun opgerichte beelden zult gij verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen.(Want gij zult u niet buigen voor een anderen god; want des HEEREN Naam is Ijveraar! een ijverig God is Hij!)Opdat gij misschien geen verbond maakt met den inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offerande doen, en hij u nodigende, gij van hun offerande etet.En gij voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochteren; en hun dochteren, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren.Gij zult u geen gegoten goden maken.Het feest der ongezuurde broden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb, ter gezetter tijd der maand Abib; want in de maand Abib zijt gij uit Egypte uitgegaan.Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee.Doch den ezel, die de baarmoeder opent, zult gij met een stuk klein vee lossen; maar indien gij hem niet zult lossen, zo zult gij hem den nek breken. Al de eerstgeborenen uwer zonen zult gij lossen, en men zal voor Mijn aangezicht niet ledig verschijnen.Zes dagen zult gij arbeiden, maar op den zevenden dag zult gij rusten; in den ploegtijd en in den oogst zult gij rusten.Het feest der weken zult gij ook houden, zijnde het feest der eerstelingen van den tarweoogst, en het feest der inzameling, als het jaar om is.Al wat mannelijk is onder u zal driemaal in het jaar verschijnen voor het aangezicht des Heeren HEEREN, den God van Israel.Wanneer Ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven, en uw landpalen verwijden, dan zal niemand uw land begeren, terwijl gij henen opgaan zult, om te verschijnen voor het aangezicht des HEEREN uws Gods, driemaal in het jaar.Gij zult het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren met gedesemd brood; het slachtoffer van het paasfeest zal ook niet vernachten tot den morgen.De eerstelingen van de eerste vruchten uws lands zult gij in het huis des HEEREN uws Gods brengen. Gij zult het bokje in de melk zijner moeder niet koken.Verder zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want naar luid dezer woorden heb Ik een verbond met u en met Israel gemaakt.En hij was aldaar met den HEERE, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, en hij dronk geen water; en Hij schreef op de tafelen de woorden des verbonds, de tien woorden.En het geschiedde, toen Mozes van den berg Sinai afging (de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van den berg afging), zo wist Mozes niet, dat het vel zijns aangezichts glinsterde, toen Hij met hem sprak.Als nu Aaron en al de kinderen Israels Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel zijns aangezichts; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.Toen riep Mozes hen; en Aaron, en al de oversten in de vergadering keerden weder tot hem; en Mozes sprak tot hen.En daarna traden al de kinderen Israels toe; en hij gebood hun al wat de HEERE met hem gesproken had op den berg Sinai.Alzo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.Doch als Mozes voor het aangezicht des HEEREN kwam, om met Hem te spreken, zo nam hij het deksel af, totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zo sprak hij tot de kinderen Israels, wat hem geboden was.Zo zagen dan de kinderen Israels het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken.Toen deed Mozes de ganse vergadering der kinderen Israels verzamelen, en zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die de HEERE geboden heeft, dat men ze doe.Zes dagen zal men het werk doen; maar op den zevenden dag zal ulieden heiligheid zijn, een sabbat der rust den HEERE; al wie daarop werk doet, zal gedood worden.Gij zult geen vuur aansteken in enige uwer woningen op den sabbatdag.Verder sprak Mozes tot de ganse vergadering der kinderen Israels, zeggende: Dit is het woord, dat de HEERE geboden heeft, zeggende:Neemt van hetgeen, dat gijlieden hebt, een hefoffer den HEERE; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, ten hefoffer des HEEREN: goud, en zilver, en koper;Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar;En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout;En olie tot den luchter, en specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;En sardonixstenen, en vervullende stenen, tot den efod en tot den borstlap.En allen, die wijs van hart zijn onder ulieden, zullen komen, en maken alles, wat de HEERE geboden heeft:De tabernakel, zijn tent en zijn deksel, zijn haakjes en zijn berderen, zijn richelen, zijn pilaren, en zijn voeten;De ark en haar handbomen, het verzoendeksel en den voorhang des deksels;De tafel en haar handbomen, en al haar gereedschap, en de toonbroden;En den kandelaar tot het licht, en zijn gereedschap, en zijn lampen, en de olie tot het licht;En het reukaltaar, en zijn handbomen, en de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen; en het deksel der deur aan de deur des tabernakels;Het altaar des brandoffers, en den koperen rooster, dien het hebben zal, zijn handbomen, en al zijn gereedschappen; het wasvat en zijn voet.De behangselen des voorhofs, zijn pilaren en zijn voeten; en het deksel van de poort des voorhofs;De nagelen des tabernakels, en de pennen des voorhofs, met derzelver zelen;De ambtsklederen om in het heilige te dienen, de heilige klederen van den priester Aaron, en de klederen zijner zonen, om het priesterambt te bedienen.Toen ging de ganse vergadering der kinderen Israels uit van voor het aangezicht van Mozes.En zij kwamen, alle man, wiens hart hem bewoog, en een ieder, wiens geest hem vrijwillig maakte, die brachten des HEEREN hefoffer tot het werk van de tent der samenkomst, en tot al haar dienst, en tot de heilige klederen.Zo kwamen dan de mannen met de vrouwen, alle vrijwilligen van hart; zij brachten haken, en oorsierselen, en ringen, en spanselen, alle gouden vaten; en alle man, die een gouden beweegoffer den HEERE offerde,En alle man, bij wien gevonden werd hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar, en roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, die brachten ze.Allen, die een hefoffer van zilver of koper offerden, die brachten het ten hefoffer des HEEREN; en allen, bij welke sittimhout gevonden werd, brachten het tot alle werk van den dienst.En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen.En alle vrouwen, welker hart haar bewoog in wijsheid, die sponnen het geiten haar.De oversten nu brachten sardonixstenen en vulstenen, tot den efod en tot den borstlap;En specerijen en olie, tot den luchter en tot de zalfolie, en tot roking welriekende specerijen.Alle man en vrouw, welker hart hen vrijwillig bewoog te brengen tot al het werk, hetwelk de HEERE geboden had te maken door de hand van Mozes; dat brachten de kinderen Israels tot een vrijwillig offer den HEERE.Daarna zeide Mozes tot de kinderen Israels: Ziet, de HEERE heeft met name geroepen Bezaleel, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda.En de Geest Gods heeft hem vervuld met wijsheid, met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;En om te bedenken vernuftigen arbeid, te werken in goud, en in zilver, en in koper,En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding; om te werken in alle vernuftige handwerk.Hij heeft hem ook in zijn hart gegeven anderen te onderwijzen, hem en Aholiab, den zoon van Ahisamach, van den stam van Dan.Hij heeft hen vervuld met wijsheid des harten, om te maken alle werk eens werkmeesters, en des allervernuftigsten handwerkers, en des borduurders en hemelsblauw, en in purper, in scharlaken, en in fijn linnen, en des wevers; makende alle werk, en bedenkende vernuftigen arbeid.Toen wrocht Bezaleel en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in denwelken de HEERE wijsheid en verstand gegeven had, om te weten, hoe zij maken zouden alle werk ten dienste des heiligdoms naar alles, dat de HEERE geboden had.Want Mozes had geroepen Bezaleel en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in wiens hart God wijsheid gegeven had, al wiens hart hem bewogen had, dat hij toetrad tot het werk, om dat te maken.Zij dan namen van voor het aangezicht van Mozes het ganse hefoffer, hetwelk de kinderen Israels gebracht hadden, tot het werk van den dienst des heiligdoms, om dat te maken; doch zij brachten tot hem nog allen morgen vrijwillig offer.Derhalve kwamen alle wijzen, die al het werk des heiligdoms maakten, ieder man van zijn werk, hetwelk zij maakten;En zij spraken tot Mozes, zeggende: Het volk brengt te veel, meer dan genoeg is ten dienste des werks, hetwelk de HEERE te maken geboden heeft.Toen gebood Mozes, dat men een stem zoude laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw make geen werk meer ten hefoffer des heiligdoms! Alzo werd het volk teruggehouden van meer te brengen.Want der stoffe was denzelven genoeg tot het gehele werk, dat te maken was; ja, er was over.Alzo maakte een ieder wijze van hart, onder degenen, die het werk maakten, den tabernakel van tien gordijnen, van getweernd fijn linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken met cherubim; van het allerkunstelijkste werk maakte hij ze.De lengte ener gordijn was van acht en twintig ellen, en de breedte ener gordijn van vier ellen; al deze gordijnen hadden een maat.En hij voegde vijf gordijnen, de ene aan de andere; en hij voegde andere vijf gordijnen, de ene aan de andere.Daarna maakte hij striklisjes van hemelsblauw aan den kant ener gordijn, aan het uiterste in de samenvoeging; hij deed het ook aan den uitersten kant der tweede samenvoegende gordijn.Vijftig striklisjes maakte hij aan de ene gordijn, en vijftig striklisjes maakte hij aan het uiterste der gordijn; dat aan de tweede samenvoegende was; deze striklisjes vatten de ene aan de andere.Hij maakte ook vijftig gouden haakjes, en voegde de gordijnen samen, de ene aan de andere, met deze haakjes, dat het een tabernakel werd.Verder maakte hij gordijnen van geiten haar, tot een tent over den tabernakel; van elf gordijnen maakte hij ze.De lengte ener gordijn was dertig ellen, en vier ellen de breedte ener gordijn; deze elf gordijnen hadden een maat.En hij voegde vijf gordijnen samen bijzonder; wederom zes dezer gordijnen bijzonder.En hij maakte vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn, de uiterste in de samenvoeging; hij maakte ook vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn der andere samenvoeging.Hij maakte ook vijftig koperen haakjes, om de tent samen te voegen, dat zij een ware.Ook maakte hij voor de tent een deksel van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen.Hij maakte ook aan den tabernakel berderen van staand sittimhout.De lengte van een berd was tien ellen, en ene el en ene halve el was de breedte van elk berd.Twee houvasten had een berd, als sporten in een ladder gezet, het ene nevens het andere; alzo maakte hij het met al de berderen des tabernakels.Hij maakte ook de berderen tot den tabernakel; twintig berderen naar de zuidzijde zuidwaarts.En hij maakte veertig zilveren voeten onder de twintig berderen; twee voeten onder een berd, aan zijn twee houvasten, en twee voeten onder een ander berd, aan zijn twee houvasten.Hij maakte ook twintig berderen aan de andere zijde des tabernakels, aan den noorderhoek.Met hun veertig zilveren voeten; twee voeten onder een berd, en twee voeten onder een ander berd.Doch aan de zijde des tabernakels tegen het westen, maakte hij zes berderen.Ook maakte hij twee berderen tot hoekberderen des tabernakels, aan de beide zijden.En zij waren van beneden als tweelingen samengevoegd, zij waren ook als tweelingen aan deszelfs oppereinde samengevoegd met een ring; alzo deed hij met die beide, aan de twee hoeken.Alzo waren er acht berderen met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten: twee voeten onder elk berd.Hij maakte ook richelen van sittimhout; vijf aan de berderen der ene zijde des tabernakels;En vijf richelen aan de berderen van de andere zijde des tabernakels; alsook vijf richelen aan de berderen des tabernakels, aan de beide zijden westwaarts.En hij maakte de middelste richel doorschietende in het midden der berderen, van het ene einde tot het andere einde.En hij overtrok de berderen met goud, en hun ringen (de plaatsen voor de richelen) maakte hij van goud; de richelen overtrok hij ook met goud.Daarna maakte hij een voorhang van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk maakte hij denzelven, met cherubim.En hij maakte daartoe vier pilaren van sittim hout, die hij overtrok met goud; hun haken waren van goud, en hij goot hun vier zilveren voeten.Hij maakte ook aan de deur der tent een deksel van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk;En de vijf pilaren daarvan, en hun haken; en hij overtrok hun hoofden en derzelver banden met goud; en hun vijf voeten waren van koper.Alzo maakte Bezaleel de ark van sittimhout; twee ellen en een halve was haar lengte, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte.En hij overtrok ze met louter goud, van binnen en van buiten; en hij maakte ze een gouden krans rondom.En hij goot voor dezelve vier gouden ringen, aan haar vier hoeken, alzo dat twee ringen op derzelver ene zijde waren, en twee ringen op haar andere zijde.En hij maakte handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud.En hij stak de handbomen in de ringen, aan de zijden der ark, om de ark te dragen.Hij maakte ook een verzoendeksel van louter goud; twee ellen en een halve was deszelfs lengte, en anderhalve el deszelfs breedte.Ook maakte hij twee cherubim van goud; van dicht werk maakte hij ze, uit de beide einden des verzoendeksels.Een cherub uit het ene einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel maakte hij de cherubim, uit deszelfs beide einden.En de cherubim waren de beide vleugelen omhoog uitbreidende, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten waren tegenover elkander; de aangezichten der cherubim waren naar het verzoendeksel.Hij maakte ook een tafel van sittimhout; twee ellen was haar lengte, en een el haar breedte; en een el en een halve haar hoogte.En hij overtrok ze met louter goud; en hij maakte een gouden krans daaraan, rondom.Hij maakte daaraan ook een lijst rondom, een hand breed; en hij maakte een gouden krans rondom derzelver lijst.Hij goot ook vier gouden ringen daaraan; en hij zette de ringen aan de vier hoeken, die aan derzelver vier voeten waren.Tegenover de lijst waren de ringen tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.Hij maakte ook de handbomen van sittimhout; en hij overtrok ze met goud, om de tafel te dragen.En hij maakte het gereedschap, dat op de tafel zijn zoude, haar schotelen, en haar reukschalen, en haar kroezen, en haar platelen (met welke zij bedekt zoude worden), van louter goud.Hij maakte ook een kandelaar van louter goud. Van dicht werk maakte hij dezen kandelaar, zijn schacht, en zijn rieten; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen waren uit hem.Zes rieten nu gingen uit zijn zijden; drie rieten des kandelaars uit zijn ene zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijn andere zijde.In het ene riet waren drie schaaltjes, gelijk amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem; alzo waren die zes rieten, die uit den kandelaar gingen.Maar aan den kandelaar zelven waren vier schaaltjes, gelijk amandelnoten, met zijn knopen, en met zijn bloemen.En daar was een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; alzo was het met de zes rieten, die uit denzelven uitgingen.Hun knopen en rieten waren uit hem; het was altemaal een enig dicht werk van louter goud.En hij maakte hem zeven lampen; zijn snuiters en zijn blusvaten waren van louter goud.Hij maakte denzelven uit een talent louter goud, met al zijn vaten.En hij maakte het reukaltaar van sittimhout; een el was zijn lengte en een el zijn breedte, vierkant, maar twee ellen zijn hoogte; uit hetzelve waren zijn hoornen.En hij overtrok het met louter goud, zijn dak, en zijn wanden rondom, alsook zijn hoornen; en hij maakte het een gouden krans rondom.Hij maakte ook twee gouden ringen daaraan, onder zijn krans, aan zijn twee hoeken, aan zijn beide zijden, tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmede droeg.En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud.Hij maakte ook de heilige zalfolie, en het reukwerk der zuiverste welriekende specerijen, naar apothekerswerk.Hij maakte ook het brandofferaltaar van sittimhout; vijf ellen was deszelfs lengte, en vijf ellen zijn breedte, vierkant, en drie ellen zijn hoogte.En hij maakte deszelfs hoornen op zijn vier hoeken; uit hetzelve waren zijn hoornen; en hij overtrok het met koper.Hij maakte ook al het gereedschap des altaars, de potten, en de schoffelen, en de besprengbekkens, en de krauwelen, en de koolpannen; al zijn vaten maakte hij van koper.Ook maakte hij aan het altaar een rooster van koperen netwerk, onder zijn omloop, van beneden tot zijn midden toe.En hij goot vier ringen aan de vier einden des koperen roosters, tot plaatsen voor de handbomen.En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met koper.En hij deed de handbomen in de ringen, aan de zijden des altaars, dat men het met dezelve droeg; hij maakte hetzelve hol van planken.Hij maakte ook het koperen wasvat, met zijn koperen voet, van de spiegels der te hoop komende vrouwen, die te hoop kwamen voor de deur van de tent der samenkomst.Hij maakte ook den voorhof, aan den zuidhoek zuidwaarts; de behangselen tot den voorhof waren van fijn getweernd linnen, van honderd ellen.Hun twintig pilaren en derzelver twintig voeten, waren van koper; de haken dezer pilaren en hun banden waren van zilver.En aan den noorderhoek honderd ellen, hun twintig pilaren en derzelver twintig voeten waren van koper; de haken der pilaren en derzelver banden waren van zilver.En aan den westerhoek waren behangselen van vijftig ellen, hun pilaren tien en derzelver voeten tien; de haken der pilaren en hun banden waren van zilver.En aan den oosterhoek tegen den opgang waren vijftig ellen.De behangselen aan deze zijde waren vijftien ellen, derzelver pilaren drie en hun voeten drie.En aan de andere zijde van de deur des voorhofs, van hier en van daar, waren behangselen van vijftien ellen; hun pilaren drie en derzelver voeten drie.Al de behangselen des voorhofs waren rondom van fijn getweernd linnen.De voeten nu der pilaren waren van koper, de haken der pilaren, en hun banden waren van zilver, en het overdeksel hunner hoofden was van zilver, en al de pilaren des voorhofs waren met zilver omtogen.En het deksel van de poort des voorhofs was van geborduurd werk, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; en twintig ellen was de lengte, en de hoogte in de breedte was vijf ellen, tegenover de behangselen des voorhofs.En hun vier pilaren en derzelver vier voeten waren van koper, hun haken waren van zilver; ook was het overdeksel hunner hoofden en hun banden van zilver.En al de pennen des tabernakels en des voorhofs rondom waren van koper.Dit zijn de getelde dingen van den tabernakel, van den tabernakel der getuigenis, die geteld zijn naar den mond van Mozes, ten dienste der Levieten, door de hand van Ithamar, den zoon van den priester Aaron.Bezaleel nu, de zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda, maakte al, dat de HEERE aan Mozes geboden had.En met hem Aholiab, de zoon van Ahisamach, van den stam van Dan, een werkmeester en vernuftig kunstenaar, en een borduurder in hemelsblauw, en in purper, en in scharlaken, en in fijn linnen.Al het goud, dat tot het werk verarbeid is, in het ganse werk des heiligdoms, te weten, het goud des beweegoffers, was negen en twintig talenten, en zevenhonderd en dertig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.Het zilver nu van de getelden der vergadering was honderd talenten, en duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar den sikkel des heiligdoms, van een ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend, vijfhonderd en vijftig.En er waren honderd talenten zilver, om te gieten de voeten des heiligdoms, en de voeten des voorhangs; tot honderd voeten waren honderd talenten, een talent tot een voet.Maar uit de duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkelen maakte hij de haken aan de pilaren, en hij overtrok hun hoofden, en omtoog ze met banden.Het koper nu des beweegoffers was zeventig talenten, en twee duizend vierhonderd sikkelen.En hij maakte daarvan de voeten der deur van de tent der samenkomst, en het koperen altaar, en den koperen rooster, dien het had, en al het gereedschap des altaars.En de voeten des voorhofs rondom, en de voeten van de poort des voorhofs, ook al de pennen des tabernakels, en al de pennen des voorhofs rondom.Zij maakten ook ambtsklederen, om in het heilige te dienen, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken; ook maakten zij de heilige klederen, die voor Aaron waren, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.Aldus maakte hij den efod, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.En zij rekten uit de dunne platen van goud, en sneden het tot draden, om te doen in het midden van het hemelsblauw, en in het midden van het purper, en in het midden van het scharlaken, en in het midden van het fijn linnen, van het allerkunstelijkste werk.Zij maakten samenvoegende schouderbanden daaraan; aan deszelfs beide einden werd hij samengevoegd.En de kunstelijke riem zijns efods, die daarop was, was gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, gelijk als de HEERE aan Mozes bevolen had.Zij bereidden ook de sardonixstenen, omvat in gouden kastjes, als zegelgravering gegraveerd, met de namen der zonen van Israel.En hij zette ze op de schouderbanden des efods, tot stenen der gedachtenis voor de kinderen Israels, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.Hij maakte ook den borstlap van het allerkunstelijkste werk, gelijk het werk des efods, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.Hij was vierkant; zij maakten den borstlap dubbel; een span was zijn lengte, en een span was zijn breedte, dubbel zijnde.En zij vulden daarin vier rijen stenen: een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier en een Diamant.En de derde rij van een Hyacint, Agaat, en Amethist.En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; omvat in gouden kastjes in hun vullingen.Deze stenen nu, met de namen der zonen van Israel, waren twaalf, met hun namen, met zegelgravering; ieder met zijn naam, naar de twaalf stammen.Zij maakten ook aan den borstlap gelijk-eindigende ketentjes, van gedraaid werk, uit louter goud.En zij maakten twee gouden kastjes, en twee gouden ringen; en zij zetten die twee ringen aan de beide einden des borstlaps.En zij zetten de twee gedraaide gouden ketentjes aan de twee ringen, aan de einden van den borstlap.Doch de twee andere einden der twee gedraaide ketenen zetten zij aan de twee kastjes, en zij zetten ze aan de schouderbanden des efods, recht op de voorste zijde van dien.Zij maakten ook twee gouden ringen, die zij aan de twee andere einden des borstlaps zetten, inwendig aan zijn boord, die aan de zijde des efods is.Nog maakten zij twee gouden ringen, die zij zetten aan de twee schouderbanden van den efod, beneden, aan deszelfs voorste zijde, tegenover zijn andere voege, boven den kunstelijken riem des efods.En zij bonden den borstlap met zijn ringen aan de ringen van den efod, met een hemelsblauw snoer, dat hij op den kunstelijken riem van den efod was; opdat de borstlap van den efod niet afgescheiden wierd, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.En hij maakte den mantel des efods van geweven werk, geheel van hemelsblauw.En het gat des mantels was in deszelfs midden, als het gat eens pantsiers; dit gat had een boord rondom, dat het niet gescheurd wierd.En aan de zomen des mantels maakten zij granaatappelen van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, getweernd.Zij maakten ook schelletjes van louter goud, en zij stelden de schelletjes tussen de granaatappelen, aan de zomen des mantels rondom, tussen de granaatappelen;Dat er een schelletje, daarna een granaatappel was; wederom een schelletje, en een granaatappel; aan de zomen des mantels rondom; om te dienen, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.Zij maakten ook de rokken van fijn linnen, van geweven werk, voor Aaron en voor zijn zonen;En den hoed van fijn linnen, en de sierlijke mutsen van fijn linnen, en de linnen onderbroeken van fijn getweernd linnen;En den gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, van geborduurd werk, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.Zij maakten ook de plaat van de kroon der heiligheid van louter goud, en zij schreven daarop een schrift, met zegelgravering: De HEILIGHEID DES HEEREN.En zij hechtten een snoer van hemelsblauw daaraan, om aan den hoed van boven te hechten, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.Aldus werd al het werk des tabernakels, van de tent der samenkomst voleind; en de kinderen Israels hadden het gemaakt naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had; alzo hadden zij het gemaakt.Daarna brachten zij den tabernakel tot Mozes, de tent, en al haar gereedschap, haar haakjes, haar berderen, haar richelen, en haar pilaren, en haar voeten;En het deksel van roodgeverfde ramsvellen, en het deksel van dassenvellen, en den voorhang van het deksel;De ark der getuigenis, en haar handbomen, en het verzoendeksel;De tafel, met al haar gereedschap, en de toonbroden;Den louteren kandelaar met zijn lampen, de lampen, die men toerichten moest, en al deszelfs gereedschap, en de olie tot het licht;Verder het gouden altaar, en de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen, en het deksel van de deur der tent.Het koperen altaar, en den koperen rooster, dien het heeft, deszelfs handbomen, en al zijn gereedschap; het wasvat en zijn voet;De behangselen des voorhofs, zijn pilaren en zijn voeten, en het deksel van de poort des voorhofs, zijn zelen, en zijn pennen, en al het gereedschap van den dienst des tabernakels, tot de tent der samenkomst;De ambtsklederen, om in het heiligdom te dienen, de heilige klederen van den priester Aaron, en de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen.Naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had, alzo hadden de kinderen Israels het ganse werk gemaakt.Mozes nu bezag het ganse werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, gelijk als de HEERE geboden had; alzo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen.Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:Op den dag der eerste maand, te weten op den eersten der maand, zult gij den tabernakel, de tent der samenkomst, oprichten.En gij zult aldaar zetten de ark der getuigenis; en gij zult de ark met den voorhang bedekken.Daarna zult gij de tafel daarin brengen, en gij zult schikken wat daarop te schikken is; gij zult ook den kandelaar daarin brengen, en zijn lampen aansteken.En gij zult het gouden altaar ten reukwerk voor de ark der getuigenis zetten; dan zult gij het deksel van de deur des tabernakels ophangen.Gij zult ook het altaar des brandoffers zetten voor de deur van den tabernakel, van de tent der samenkomst.En gij zult het wasvat zetten tussen de tent der samenkomst, en tussen het altaar; en gij zult water daar in doen.Daarna zult gij den voorhof rondom zetten, en gij zult het deksel ophangen aan de poort des voorhofs.Dan zult gij de zalfolie nemen en zalven den tabernakel, en al wat daarin is; en gij zult dezelven heiligen, met al zijn gereedschap, en het zal een heiligheid zijn.Gij zult ook het altaar des brandoffers zalven, en al zijn gereedschap; en gij zult het altaar heiligen, en het altaar zal heiligheid der heiligheden zijn.Dan zult gij het wasvat zalven, en deszelfs voet; en gij zult het heiligen.Gij zult ook Aaron en zijn zonen doen naderen, tot de deur van de tent der samenkomst; en gij zult hen met water wassen.En gij zult Aaron de heilige klederen aantrekken; en gij zult hem zalven, en hem heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene.Gij zult ook zijn zonen doen naderen, en zult hun de rokken aantrekken.En gij zult hen zalven, gelijk als gij hun vader zult gezalfd hebben, dat zij Mij het priesterambt bedienen. En het zal geschieden, dat hun hun zalving zal zijn tot een eeuwig priesterdom bij hun geslachten.Mozes nu deed het naar alles, wat hem de HEERE geboden had; alzo deed hij.En het geschiedde in de eerste maand, in het tweede jaar, op den eersten der maand, dat de tabernakel opgericht werd.Want Mozes richtte den tabernakel op, en zette zijn voeten, en stelde zijn berderen, en zette zijn richelen daaraan, en hij richtte deszelfs pilaren op.En hij spreidde de tent uit over den tabernakel, en hij zette het deksel der tent daar bovenop, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.Voorts nam hij, en leide de getuigenis in de ark, en deed de handbomen aan de ark, en hij zette het verzoendeksel boven op de ark.En hij bracht de ark in den tabernakel, en hij hing den voorhang van het deksel op, en bedekte de ark der getuigenis, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.Hij zette ook de tafel in de tent der samenkomst, aan de zijde des tabernakels tegen het noorden, buiten den voorhang.En hij schikte daarop het brood in orde, voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.Hij zette ook den kandelaar in de tent der samenkomst, recht over de tafel, aan de zijde des tabernakels, zuidwaarts.En hij stak de lampen aan voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.En hij zette het gouden altaar in de tent der samenkomst, voor den voorhang.En hij stak daarop aan reukwerk van welriekende specerijen, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.Hij hing ook het deksel van de deur des tabernakels.En hij zette het altaar des brandoffers aan de deur des tabernakels, van de tent der samenkomst; en hij offerde daarop brandoffer, en spijsoffer, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.Hij zette ook het wasvat tussen de tent der samenkomst, en tussen het altaar; en hij deed water daarin om te wassen.En Mozes en Aaron, en zijn zonen wiesen daaruit hun handen en hun voeten.Als zij ingingen tot de tent der samenkomst, en als zij tot het altaar naderden, zo wiesen zij zich, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.Hij richtte ook den voorhof op, rondom den tabernakel en het altaar, en hij hing het deksel van de poort des voorhofs op. Alzo voleindigde Mozes het werk.Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst; en de heerlijkheid des HEEREN vervulde den tabernakel.Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent der samenkomst, dewijl de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid des HEEREN den tabernakel vervulde.Als nu de wolk opgeheven werd van boven den tabernakel, zo reisden de kinderen Israels voort in al hun reizen.Maar als de wolk niet opgeheven werd, zo reisden zij niet tot op den dag, dat zij opgeheven werd.Want de wolk des HEEREN was op den tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de ogen van het ganse huis Israels in al hun reizen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
Woord van een Vriend
-
PDA001
De steen werpen
Het artikel behandelt de bijbelse episode waarin Jezus de beschuldigers van een overspelige vrouw confronteert en vergeving leert in plaats van oordeel. Jezus verklaart dat alleen wie zonder zonde is de eerste steen mag werpen, een antwoord dat de beschuldigers uiteen drijft. Dit verhaal benadrukt Jezus’ mededogen en zijn rol als redder, en pleit voor vergeving en verlossing in plaats van veroordeling.
Johannes 8.11 (De Heilige Schrift 1917) :En zij zeide: Niemand, Heere! En Jezus zeide tot haar: Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig niet meer.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
-
ANN003
De geboorte en de bediening van Johannes de Doper
Deze bijlage bestudeert de geboorte en de bediening van Johannes de Doper aan de hand van het Evangelie van Lucas. Zij stelt zijn ouders Zacharias en…
-
ANN031
De hogepriesters
Het artikel onderzoekt de rol van de hogepriesters onder de Romeinse bezetting, met de nadruk op Annas en Kajafas, en de verwevenheid van religieuze en politieke macht. De…
-
ANN075
De verkopers uit de tempel verdreven
Het artikel onderzoekt het voorval waarin Jezus de kooplieden uit de tempel verdrijft, een gebeurtenis die in de Evangeliën van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes verschillend wordt verteld. Terwijl…
-
ANN088
De twee zalvingen van Jezus, de Messias
Het artikel analyseert de zalvingen van Jezus, de Messias, in de Evangeliën en laat het contrast zien tussen de waarden van Jezus en die van Simon, de farizeeër. Het onderstreept de…