Studies 1 tot 10
- 1De schoonmoeder van PetrusMatteüs 8.14-15
- 2Een verlamde gedragen door vier mannenMatteüs 9.2-8
- 3De vrouw met bloedvloeiingMatteüs 9.20-22
- 4Het dochtertje van JaïrusMatteüs 9.18
- 5Wat zegt Jezus tegen de dochter van Jaïrus?Matteüs 9.25
- 6De twee blindenMattheüs 20.30
- 7Water wordt wijn in KanaJohannes 2.1-11
- 8Genezing van de zoon van een koninklijke ambtenaarJohannes 4.46-54
- 9Eerste wonderbare visvangstLucas 5.1-11
- 10Genezing van de bezeten man in de synagoge van KafarnaümMarcus 1.23-28
Studies 11 tot 20
- 11Genezing van de schoonmoeder van PetrusMatteüs 8.14-15
- 12De genezing van een melaatseMarcus 1.40-44
- 13Genezing van de verlamde van BetesdaJohannes 5.1-15
- 14Genezing van de melaatseMatteüs 8.1-4
- 15Genezing van de knecht van de centurioMatteüs 8.5-13
- 16Opwekking van de zoon van de weduwe van NaïnLucas 7.11-17
- 17Genezing van de blinde en stomme bezeteneMatteüs 12.22-23
- 18Genezing van de stomme bezeten manLucas 11.14-15
- 19De Messias Jezus stilt de stormMatteüs 8.23-27
- 20Uitdrijving van de bezetene van GadaraMatteüs 8.28-34
Studies 21 tot 30
- 21Opwekking van het dochtertje van JaïrusMatteüs 9.18-26
- 22Genezing van de vrouw met de bloedvloeiingMatteüs 9.20-22
- 23Genezing van twee blindenMatteüs 9.27-31
- 24Genezing van een stomme man die door een demon bezeten isMatteüs 9.32-33
- 25Vermenigvuldiging van broden en vissenMatteüs 14.13-21
- 26Lopen over het waterMatteüs 14.22-33
- 27Genezing in GennesaretMatteüs 14.34-36
- 28Genezing van de dochter van de Kanaänitische vrouwMatteüs 15.21-28
- 29Genezing van de doofstommeMarcus 7.31-37
- 30De spijziging van de 4000Matteüs 15.32-39
Studies 31 tot 40
- 31Genezing van de blinde van BetsaïdaMarcus 8.22-26
- 32De verheerlijking op de bergMatteüs 17.1-13
- 33Uitdrijving bij de epileptische jongenMatteüs 17.14-18
- 34Munt in de bek van een visMatteüs 17.24-27
- 35Genezing van een vrouw op sabbatLucas 13.10-21
- 36Genezing van een man met waterzuchtLucas 14.2-6
- 37Genezing van de tien melaatsenLucas 17.11-19
- 38Genezing van de blindgeboreneJohannes 9.1-12
- 39Opwekking van LazarusJohannes 11.1-44
- 40Genezing van de blinde BartimeüsMatteüs 20.29-34
Studies 41 tot 50
- 41Het verdorren van de vijgenboomMatteüs 21.18-22
- 42De koninklijke ambtenaar in Kana in GalileaJohannes 4.46-54
- 43De eerste wonderbare visvangstLucas 5.1-11
- 44De genezing van een melaatse.Marcus 1.40-44
- 45Genezing van een verlamdeMatteüs 9.1-8
- 46De genezing van de zieke bij het bad van BetesdaJohannes 5.2-16
- 47De genezing van een melaatse na de bergredeMatteüs 8.1-4
- 48De genezing van de dienaar van de Romeinse officierMatteüs 8.5-13
- 49De opwekking van de zoon van de weduwe van NaïnLucas 7.11-17
- 50De genezing van de bezeteneMatteüs 12.22-24
Studies 51 tot 60
- 51De Messias Jezus stilt de stormMatteüs 8.23-27
- 52De genezing van de bezetene van GadaraMatteüs 8.28-34
- 53De onderbroken genezing van de dochter van JaïrusMatteüs 9.18-19
- 54De genezing van de vrouw met bloedvloeiingenMatteüs 9.20-22
- 55De genezing van het dochtertje van JaïrusMatteüs 9.18-26
- 56De genezing van twee blindenMatteüs 9.27-31
- 57De genezing van een bezeteneMatteüs 9.32-33
- 58De vermenigvuldiging van de broden voor de 5000 personenMatteüs 14.13-21
- 59De Messias Jezus en Petrus lopen over het waterMatteüs 14.22-32
- 60Genezing van de dochter van de Syro-Fenicische vrouwMatteüs 15.21-28
Studies 61 tot 70
- 61Tweede vermenigvuldiging van de broden voor 4000 personenMatteüs 15.32-38
- 62De blinde van BetsaïdaMarcus 8.22-26
- 63De tempelbelasting in de bek van de visMatteüs 17.24-27
- 64Genezing van een vrouw op sabbatLucas 13.10-17
- 65Genezing van een man met waterzuchtLucas 14.2-6
- 66De genezing van de tien melaatsenLucas 17.11-19
- 67Genezing van een blindgeboreneJohannes 9.1-34
- 68Genezingen van blinden bij JerichoMatteüs 20.29-34
- 69De opwekking van LazarusJohannes 11.1-46
- 70Genezing van blinden en kreupelenMatteüs 21.14
← Leven en bediening van Jezus
Wonderen van Jezus
-
CTD061
De schoonmoeder van Petrus
Het artikel analyseert de evangelieverhalen over de genezing van de schoonmoeder van Petrus en belicht de verschillen tussen Matteüs, Marcus en Lucas. Het onderzoekt de theologische gevolgen van die verschillen en wijst op de rijkdom die elk verhaal inbrengt.
Markus 1.29-31 (De Heilige Schrift 1917) :En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes.En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij Hem van haar.En Hij, tot haar gaande, vatte haar hand, en richtte ze op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
CTD062
Een verlamde gedragen door vier mannen
Het artikel onderzoekt de verschillen tussen de verhalen van Matteüs en Marcus over de genezing van de verlamde man door Jezus. Hoewel de verhalen uiteenlopen, benadrukt het artikel dat zij elkaar aanvullen, en de individuele gezichtspunten van de auteurs onder goddelijke inspiratie weerspiegelen, wat een rijk beeld van de gebeurtenissen geeft.
Mattheüs 9.2-8 (De Heilige Schrift 1917) :(9:1) En ziet, zij brachten tot Hem een geraakte, op een bed liggende. (9:2) En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.En ziet, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zichzelven: Deze lastert God.En Jezus, ziende hun gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uw harten?Want wat is lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel?Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven (toen zeide Hij tot den geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis.En hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis.De scharen nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zodanige macht den mensen gegeven had.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
CTD064
De vrouw met bloedvloeiing
Het artikel onderzoekt het verhaal van de vrouw met de bloedvloeiing in Matteüs, Marcus en Lucas. Elk Evangelie geeft een licht afwijkende versie van de gebeurtenis, met uiteenlopende details, maar benadrukt het geloof van de vrouw en de genezende macht van Jezus. De Evangeliën vullen elkaar aan om een volledig beeld van deze gebeurtenis te geven.
Markus 5.25-34 (De Heilige Schrift 1917) :En een zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had,En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was;Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan;Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was.En terstond Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare U verdringt, en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt?En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had.En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder, en zeide Hem al de waarheid.En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
CTD065
Het dochtertje van Jaïrus
Het artikel bespreekt de ogenschijnlijke verschillen in de evangelieverhalen over de opwekking van de dochter van Jaïrus. Matteüs, Marcus en Lucas bieden licht verschillende versies, wat leidt tot een analyse van de chronologie en van het geloof dat Jaïrus toonde. Ondanks deze verschillen ligt de nadruk op Jezus' wonder en de boodschap van geloof die Hij overbrengt.
Markus 5.35 (De Heilige Schrift 1917) :Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk?De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
CTD066
Wat zegt Jezus tegen de dochter van Jaïrus?
Het artikel analyseert het verhaal van de opwekking van de dochter van Jaïrus door Jezus, zoals besproken in drie Evangeliën. De verhalen van Marcus, Matteüs en Lucas, die vaak als tegenstrijdig worden beschouwd, worden gepresenteerd als elkaar aanvullend. Door de details van elk evangelie te vergelijken, toont het artikel dat er geen tegenspraak is, maar een verscheidenheid aan perspectieven op deze wonderbaarlijke gebeurtenis.
Mattheüs 9.25 (De Heilige Schrift 1917) :Als nu de schare uitgedreven was, ging Hij in, en greep haar hand; en het dochtertje stond op.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
CTD075
De twee blinden
Het artikel onderzoekt de verschillen tussen de evangelieverhalen over de genezing van een of twee blinden in Jericho door Jezus. Het bekijkt Matteüs, Marcus en Lucas en verduidelijkt dat de verhalende verscheidenheid geen tegenspraak inhoudt. Het belang van het individuele gezichtspunt van de auteurs wordt benadrukt.
Markus 10.46-47 (De Heilige Schrift 1917) :En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeus, Bar-timeus, de blinde, aan den weg, bedelende.En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR001
Water wordt wijn in Kana
Dit artikel onderzoekt het eerste wonder van Jezus, verhaald in Johannes 2.1-11. Op de bruiloft in Kana verandert Jezus water in wijn, wat zijn goddelijke natuur openbaart en zijn bediening inluidt. Maria speelt een sleutelrol door Jezus om hulp te vragen. Dit wonder symboliseert de overgang van een oud naar een nieuw verbond van genade, illustreert Gods vrijgevigheid en versterkt het geloof van de leerlingen.
Johannes 2.1-11 (De Heilige Schrift 1917) :En op den derden dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was aldaar.En Jezus was ook genood, en Zijn discipelen, tot de bruiloft.En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen.Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.En aldaar waren zes stenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metreten.Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.En Hij zeide tot hen: Schept nu, en draagt het tot den hofmeester; en zij droegen het.Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, van waar de wijn was; maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het), zo riep de hofmeester den bruidegom.En zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard.Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR002
Genezing van de zoon van een koninklijke ambtenaar
Johannes 4,46-54 vertelt de genezing van de zoon van een koninklijk ambtenaar in Kana. Het wonder, door Jezus verricht met één enkel woord, illustreert geloof en goddelijke macht, en versterkt de overtuiging van de ambtenaar en zijn gezin. Dit verhaal benadrukt het belang van geloof nog voordat men wonderen ziet.
Johannes 20.30-31 (De Heilige Schrift 1917) :Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek;Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR003
Eerste wonderbare visvangst
De passage Lucas 5.1-11 toont Jezus' gezag en de roeping van Simon Petrus. Na een wonderbaarlijke visvangst nodigt Jezus Petrus uit visser van mensen te worden, wat de evangelische zending illustreert.
Lukas 5.1-11 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde, als de schare op Hem aandrong, om het Woord Gods te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth.En Hij zag twee schepen aan den oever van het meer liggende, en de vissers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten.En Hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij de scharen uit het schip.En als Hij afliet van spreken, zeide Hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen.En Simon antwoordde en zeide tot Hem: Meester, wij hebben den gehelen nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen.En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde.En zij wenkten hun medegenoten, die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zodat zij bijna zonken.En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieen van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens.Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren, over de vangst der vissen, die zij gevangen hadden;En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, die medegenoten van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen.En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR004
Genezing van de bezeten man in de synagoge van Kafarnaüm
Het artikel bespreekt de genezing door Jezus van een bezeten man in Kafarnaüm, zoals verteld in Marcus en Lucas. De onreine geest erkent Jezus als de Heilige van God en verlaat, op bevel van Christus, de man. De getuigen verbazen zich over het gezag van Jezus en zijn faam verspreidt zich. Deze verhalen onderstrepen het goddelijke gezag en de genezende kracht van Jezus.
Markus 1.23-28 (De Heilige Schrift 1917) :En er was in hun synagoge een mens, met een onreinen geest, en hij riep uit,Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazarener, zijt Gij gekomen om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods.En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga uit van hem.En de onreine geest, hem scheurende, en roepende met een grote stem, ging uit van hem.En zij werden allen verbaasd, zodat zij onder elkander vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat Hij met macht ook den onreinen geesten gebiedt, en zij Hem gehoorzaam zijn!En Zijn gerucht ging terstond uit, in het gehele omliggende land van Galilea.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR005
Genezing van de schoonmoeder van Petrus
Het artikel behandelt het wonder van de genezing van de schoonmoeder van Petrus, zoals verteld in Matteüs, Marcus en Lucas. Het belicht de genezende kracht van Jezus en zijn medelijden met de zieken, waarbij de verhalen verschillende aspecten van deze gebeurtenis onderstrepen. Jezus geneest de schoonmoeder van Petrus onmiddellijk, waarna zij hen gaat dienen. De eigen invalshoeken van de Evangeliën verrijken ons begrip van deze wonderbaarlijke daad.
Lukas 4.38-39 (De Heilige Schrift 1917) :En Jezus, opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar.En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande, diende henlieden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR007
De genezing van een melaatse
Het artikel analyseert de genezing van een melaatse door Jezus in Marcus 1.40-44 en Lucas 5.12-14 en onderstreept het geloof van de melaatse, het medelijden van Jezus en zijn goddelijke genezende kracht. De verhalen benadrukken de eerbied voor de religieuze wetten van die tijd.
Markus 1.40-44 (De Heilige Schrift 1917) :En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieen, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd!En als Hij dit gezegd had, ging de melaatsheid terstond van hem, en hij werd gereinigd.En als Hij hem strengelijk verboden had, deed Hij hem terstond van Zich gaan;En zeide tot hem: Zie, dat gij niemand iets zegt; maar ga heen en vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR009
Genezing van de verlamde van Betesda
Dit artikel bespreekt de genezing van de verlamde man bij Bethesda door Jezus, die Jezus' mededogen en goddelijk gezag illustreert. Het wonder, dat op een sabbat plaatsvindt, lokt een conflict uit met de strenge Joodse autoriteiten over de sabbatswetten. Met deze daad benadrukt Jezus het belang van het geloof, van geestelijke genezing en van verlossing voorbij wettische beperkingen.
Johannes 5.1-15 (De Heilige Schrift 1917) :Na dezen was een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.En er is te Jeruzalem aan de Schaaps poort, een badwater, hetwelk in het Hebreeuws toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen.In dezelve lag een grote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters.Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was.En aldaar was een zeker mens, die acht en dertig jaren krank gelegen had.Jezus, ziende dezen liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens, om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neder.Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op, en wandel.En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op denzelven dag.De Joden zeiden dan tot dengene, die genezen was: Het is sabbat; het is u niet geoorloofd het beddeken te dragen.Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op, en wandel.Zij vraagden hem dan: Wie is de Mens, Die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op, en wandel?En die gezond gemaakt was, wist niet, Wie Hij was; want Jezus was ontweken, alzo er een grote schare in die plaats was.Daarna vond hem Jezus in den tempel, en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.De mens ging heen, en boodschapte den Joden, dat het Jezus was, Die hem gezond gemaakt had.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR011
Genezing van de melaatse
Het artikel behandelt de genezing van een melaatse door Jezus, met nadruk op zijn mededogen en zijn eerbied voor de godsdienstige wetten. De verschillen tussen de evangelieverhalen verrijken het begrip van deze sleutelgebeurtenis in Jezus' bediening.
Lukas 5.12-16 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.En Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan; en zeide: Ik wil, word gereinigd! En terstond ging de melaatsheid van hem.En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zeide Hij, vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.Maar het gerucht van Hem ging te meer voort; en vele scharen kwamen samen om Hem te horen, en door Hem genezen te worden van hun krankheden.Maar Hij vertrok in de woestijnen, en bad aldaar.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR012
Genezing van de knecht van de centurio
Het artikel onderzoekt de genezing van de knecht van de hoofdman, zoals verteld in de Evangeliën van Matteüs en Lucas. De hoofdman toont een buitengewoon geloof en hoopt op genezing door het woord van Jezus. De verhalen verschillen in de details van de ontmoeting en belichten de nederigheid en de achtenswaardigheid van de hoofdman en het medelijden van Jezus.
Mattheüs 8.5-13 (De Heilige Schrift 1917) :Als nu Jezus te Kapernaum ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem,En zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen.En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen.En de hoofdman over honderd, antwoordende, zeide: Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.Want ik ben ook een mens onder de macht van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zeg tot dezen: Ga! en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.Jezus nu, dit horende, heeft Zich verwonderd, en zeide tot degenen, die Hem volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israel zo groot een geloof niet gevonden.Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk der hemelen;En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede, gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelver ure.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR013
Opwekking van de zoon van de weduwe van Naïn
Het artikel behandelt de opwekking van de zoon van de weduwe van Naïn door Jezus, die zijn medelijden en goddelijke kracht toont, zoals verteld in Lucas 7.11-17. Dit wonder wekt de erkenning van Jezus als profeet en van Gods werkzame aanwezigheid, en toont zijn macht over de dood.
Lukas 7.11-17 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde op den volgenden dag, dat Hij ging naar een stad, genaamd Nain, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen, en een grote schare.En als Hij de poort der stad genaakte, zie daar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe en een grote schare van de stad was met haar.En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet.En Hij ging toe, en raakte de baar aan; (de dragers nu stonden stil) en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op!En de dode zat overeind, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder.En vreze beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht.En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judea, en in al het omliggende land.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR014
Genezing van de blinde en stomme bezetene
Het artikel onderzoekt een wonder van Jezus dat wordt verteld in Matteüs 12:22-23 en Lucas 11:14-15, waarin hij een door een demon bezeten man geneest. De menigte is verwonderd en vraagt zich af of Jezus de Zoon van David is, de verwachte Messias. In vergelijking met Lucas benadrukt Matteüs de messiaanse erkenning door de menigte, terwijl Lucas de beschuldigingen van heulen met Beëlzebul vermeldt.
Mattheüs 12.22-23 (De Heilige Schrift 1917) :Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David?De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR015
Genezing van de stomme bezeten man
Het artikel beschrijft de genezing van een stomme man door Jezus in Lucas 11.14-15, waaruit zijn macht over de demonen blijkt. De menigte reageert met verwondering en scepsis. Door de vergelijking met Matteüs 12.22-23 laat het artikel de uiteenlopende opvattingen over Jezus zien. De verhalen benadrukken zijn goddelijke gezag en de spanningen in zijn bediening.
Johannes 20.30-31 (De Heilige Schrift 1917) :Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek;Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR016
De Messias Jezus stilt de storm
Dit artikel onderzoekt hoe Jezus volgens Matteüs 8.23-27, Marcus 4.35-41 en Lucas 8.22-25 een storm tot bedaren brengt en zo zijn goddelijke macht toont. De verhalen benadrukken de angstige reactie van de leerlingen en het belang van het geloof, met verschillen die het eigen perspectief van elke evangelist weerspiegelen.
Lukas 8.22-25 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde in een van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen met Hem; en Hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer. En zij staken af.En als zij voeren, viel Hij in slaap; en er kwam een storm van wind op het meer, en zij werden vol waters, en waren in nood.En zij gingen tot Hem, en wekten Hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaan! en Hij, opgestaan zijnde, bestrafte den wind en de watergolven, en zij hielden op, en er werd stilte.En Hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij, bevreesd zijnde, verwonderden zich, zeggende tot elkander: Wie is toch Deze, dat Hij ook de winden en het water gebiedt, en zij zijn Hem gehoorzaam?De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR017
Uitdrijving van de bezetene van Gadara
De uitdrijving te Gadara toont Jezus die demonen uitdrijft bij de Gerasenen, volgens Matteüs, Marcus en Lucas. De demonen erkennen Jezus als de Zoon van God en vragen om in een kudde varkens te mogen varen, die daarna verdrinkt. Deze daad toont Jezus' gezag en verlossende kracht.
Markus 5.1-20 (De Heilige Schrift 1917) :En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarenen.En zo Hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreinen geest;Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen.Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen.En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen.Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem.En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt!(Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens!)En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende.En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen.En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent twee duizend), en versmoorden in de zee.En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was.En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd.En die het gezien hadden, vertelden hun, wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen.En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun landpalen wegging.En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn.Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermd heeft.En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR018
Opwekking van het dochtertje van Jaïrus
Het artikel onderzoekt de opwekking van de dochter van Jaïrus en de genezing van een zieke vrouw door Jezus, volgens de evangeliën van Matteüs, Marcus en Lucas. Het belang van het geloof in deze verhalen wordt benadrukt, evenals de verschillen en overeenkomsten in de details van de gebeurtenissen. Deze wonderen illustreren Jezus' mededogen en zijn genezende kracht.
Markus 5.21-43 (De Heilige Schrift 1917) :En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee.En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jairus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U, dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.En Hij ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem.En een zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had,En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was;Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan;Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was.En terstond Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare U verdringt, en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt?En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had.En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder, en zeide Hem al de waarheid.En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk?En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk.En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, den broeder van Jakobus;En kwam in het huis des oversten der synagoge; en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden.En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talitha kumi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op.En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat men haar zou te eten geven.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR019
Genezing van de vrouw met de bloedvloeiing
Het artikel beschrijft het verhaal van een vrouw met bloedingen die door haar geloof werd genezen door het kleed van Jezus aan te raken. Deze daad toont Jezus' genezende kracht en zijn mededogen met wie in Hem geloven, zoals verhaald in de Evangeliën van Matteüs, Marcus en Lucas.
Lukas 8.43-48 (De Heilige Schrift 1917) :En een vrouw, die twaalf jaren lang den vloed des bloeds gehad had, welke al haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden,Van achteren tot Hem komende, raakte den zoom Zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed haars bloeds.En Jezus zeide: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En als zij het allen miszaakten, zeide Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen U, en zegt Gij: Wie is het, die Mij aangeraakt heeft?En Jezus zeide: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is.De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor Hem nedervallende, verklaarde Hem voor al het volk, om wat oorzaak zij Hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was.En Hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR020
Genezing van twee blinden
Het artikel onderzoekt de genezing van twee blinden door Jezus (Matteüs 9.27-31), met nadruk op het belang van het geloof, de erkenning van de Messias en de verspreiding van het wonder ondanks een verbod. Dit verhaal, dat alleen bij Matteüs voorkomt, benadrukt Jezus' mededogen en macht.
Mattheüs 9.27-31 (De Heilige Schrift 1917) :En als Jezus van daar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: Gij Zone Davids, ontferm U onzer!En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof.En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer gestrengelijk verboden, zeggende: Ziet, dat niemand het wete.Maar zij, uitgegaan zijnde, hebben Hem ruchtbaar gemaakt door dat gehele land.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR021
Genezing van een stomme man die door een demon bezeten is
Het wonder van Matteüs 9.32-33 beschrijft de genezing van een stomme man door Jezus, die de verwondering van de menigte wekt. Deze tekst belicht Jezus' macht over de demonische krachten.
Mattheüs 9.32-33 (De Heilige Schrift 1917) :Als dezen nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van den duivel bezeten was.En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Er is nooit desgelijks in Israel gezien!De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR022
Vermenigvuldiging van broden en vissen
De vermenigvuldiging van de broden en de vissen is een wonder dat in de Evangeliën wordt verhaald, waarbij Jezus een menigte van duizenden voedt met slechts vijf broden en twee vissen. Dit verhaal symboliseert Jezus' mededogen en goddelijke macht, en benadrukt tegelijk het belang van het geloof en van de erkenning van zijn ware geestelijke rol.
Lukas 9.10-17 (De Heilige Schrift 1917) :En de apostelen, wedergekeerd zijnde, verhaalden Hem al wat zij gedaan hadden. En Hij nam hen mede en vertrok alleen in een woeste plaats der stad, genaamd Bethsaida.En de scharen, dat verstaande, volgden Hem; en Hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk Gods; en die genezing van node hadden, maakte Hij gezond.En de dag begon te dalen; en de twaalven, tot Hem komende, zeiden tot Hem: Laat de schare van U, opdat zij, heengaande in de omliggende vlekken en in de dorpen, herberg nemen mogen, en spijze vinden; want wij zijn hier in een woeste plaats.Maar Hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij heengaan en spijs kopen voor al dit volk;Want er waren omtrent vijf duizend mannen. Doch Hij zeide tot Zijn discipelen: Doet hen nederzitten bij zaten, elk van vijftig.En zij deden alzo, en deden hen allen nederzitten.En Hij, de vijf broden en de twee vissen genomen hebbende, zag op naar den hemel, en zegende die, en brak ze, en gaf ze den discipelen, om der schare voor te leggen.En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen, hetgeen hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR023
Lopen over het water
Het artikel analyseert hoe de evangeliën Jezus beschrijven als Hij over het water loopt, met nadruk op zijn goddelijkheid en het geloof van de leerlingen. Matteüs voegt de episode toe waarin ook Petrus over het water loopt, terwijl Marcus en Johannes de verwondering van de leerlingen beschrijven. De gebeurtenis illustreert Jezus' macht over de natuur en de noodzaak in Hem te geloven.
Johannes 6.16-21 (De Heilige Schrift 1917) :En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee.En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapernaum. En het was alrede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen.En de zee verhief zich, overmits er een grote wind waaide.En als zij omtrent vijf en twintig of dertig stadien gevaren waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zee, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd.Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het; zijt niet bevreesd.Zij hebben dan Hem gewilliglijk in het schip genomen; en terstond kwam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR024
Genezing in Gennesaret
Het artikel onderzoekt de verhalen van Matteüs 14.34-36 en Marcus 6.53-56, die de genezingen beschrijven die Jezus in Gennesaret verrichtte. De inwoners herkennen Jezus en haasten zich de zieken bijeen te brengen, zodat zij zijn kleed konden aanraken, wat hun geloof in zijn vermogen om te genezen toont. Deze verhalen benadrukken Jezus' wonderbaarlijke macht en het belang van het geloof van de genezenen.
Mattheüs 14.34-36 (De Heilige Schrift 1917) :En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennesaret.En als de mannen van die plaats Hem werden kennende, zonden zij in dat gehele omliggende land, en brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren;En baden Hem, dat zij alleenlijk den zoom Zijns kleeds zouden mogen aanraken; en zovelen als Hem aanraakten, werden gezond.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR025
Genezing van de dochter van de Kanaänitische vrouw
Dit artikel analyseert de genezing van de dochter van de Kananese vrouw door Jezus en belicht haar geloof en de uitbreiding van Jezus' boodschap tot de heidenen.
Mattheüs 15.21-28 (De Heilige Schrift 1917) :En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren.Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR026
Genezing van de doofstomme
Dit artikel onderzoekt de genezing van de doofstomme door Jezus, getoond in Marcus 7.31-37, met nadruk op zijn mededogen, zijn goddelijke macht en zijn universele zending. Door symbolische gebaren en het woord 'Effata' geneest Hij een man, wat de openheid voor de goddelijke openbaring illustreert. De vurige reactie van de menigte, hoewel tegen zijn verzoek om te zwijgen in, getuigt van de impact van zijn wonderen.
Markus 7.31-37 (De Heilige Schrift 1917) :En Hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden der landpalen van Dekapolis.En zij brachten tot Hem een dove, die zwaarlijk sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde.En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak Hij Zijn vingeren in zijn oren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijn tong aan;En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte Hij, en zeide tot hem: Effatha! dat is: wordt geopend!En terstond werden zijn oren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht.En Hij gebood hunlieden, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het des te meer.En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, en Hij maakt, dat de doven horen, en de stommen spreken.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR027
De spijziging van de 4000
Het artikel vertelt over de vermenigvuldiging van de broden, waarbij Jezus op wonderbaarlijke wijze vierduizend mensen voedt. De verhalen van Matteüs en Marcus beschrijven Jezus' mededogen met de hongerige menigte, de vermenigvuldiging van zeven broden en enkele vissen, en het ophalen van zeven manden met overgebleven brokken. De verschillen betreffen de bestemmingen na de gebeurtenis: Magadan bij Matteüs en Dalmanutha bij Marcus.
Markus 8.1-10 (De Heilige Schrift 1917) :In dezelfde dagen, als er een geheel grote schare was, en zij niet hadden, wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zeide tot hen:Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden.En indien Ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre.En Zijn discipelen antwoordden Hem: Van waar zal iemand dezen met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen?En Hij vraagde hun: Hoeveel broden hebt gij? En zij zeiden: Zeven.En Hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven broden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij leiden ze der schare voor.En zij hadden weinige visjes; en als Hij gezegend had, zeide Hij, dat zij ook die zouden voorleggen.En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden.Die nu gegeten hadden, waren omtrent vier duizend; en Hij liet hen gaan.En terstond in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen in de delen van Dalmanutha.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR028
Genezing van de blinde van Betsaïda
Jezus geneest een blinde in Betsaïda in een proces van twee stappen, dat de groei van het geloof symboliseert. Het gebruik van speeksel en van fysieke aanraking benadrukt Jezus' persoonlijke betrokkenheid. Het verhaal laat Jezus' mededogen zien en biedt een diep symbool van geestelijke groei.
Markus 8.22-26 (De Heilige Schrift 1917) :En Hij kwam te Bethsaida; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij hem aanraakte.En de hand des blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zijn ogen, en leide de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag.En hij, opziende, zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen.Daarna leide Hij de handen wederom op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar.En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR029
De verheerlijking op de berg
De gedaanteverandering, verhaald in Matteüs, Marcus en Lucas, onthult de goddelijkheid van Jezus. Hij verandert van gedaante voor Petrus, Jakobus en Johannes op een berg. Mozes en Elia verschijnen, en een stem uit de hemel verklaart dat Jezus de geliefde Zoon is. Deze verhalen benadrukken het belang van Jezus en van zijn onderwijs.
Lukas 9.28-36 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden, dat Hij medenam Petrus, en Johannes, en Jakobus, en klom op den berg, om te bidden.En als Hij bad, werd de gedaante Zijns aangezichts veranderd, en Zijn kleding wit en zeer blinkende.En ziet, twee mannen spraken met Hem, welke waren Mozes en Elias.Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, dien Hij zoude volbrengen te Jeruzalem.Petrus nu, en die met hem waren, waren met slaap bezwaard; en ontwaakt zijnde, zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem stonden.En het geschiedde, als zij van Hem afscheidden, zo zeide Petrus tot Jezus: Meester, het is goed, dat wij hier zijn; en laat ons drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elias een; niet wetende, wat hij zeide.Als hij nu dit zeide, kwam een wolk, en overschaduwde hen; en zij werden bevreesd, als die in de wolk ingingen.En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem!En als de stem geschiedde, zo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR030
Uitdrijving bij de epileptische jongen
Dit artikel legt uit hoe de drie synoptische evangeliën de uitdrijving vertellen van een demon uit een epileptische jongen door Jezus, nadat zijn leerlingen gefaald hadden. Elk evangelie belicht eigen aspecten en benadrukt tegelijk Jezus' macht over de demonen en het belang van geloof en gebed.
Markus 9.14-29 (De Heilige Schrift 1917) :En als Hij bij de discipelen gekomen was, zag Hij een grote schare rondom hen, en enige Schriftgeleerden met hen twistende.En terstond de gehele schare Hem ziende, werd verbaasd, en toelopende groetten zij Hem.En Hij vraagde den Schriftgeleerden: Wat twist gij met dezen?En een uit de schare, antwoordende, zeide: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stommen geest heeft.En waar hij hem ook aangrijpt, zo scheurt hij hem, en schuimt, en knerst met zijn tanden, en verdort; en ik heb Uw discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.En Hij antwoordden hem, en zeide: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij.En zij brachten denzelven tot Hem; en als hij Hem zag, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende.En Hij vraagde zijn vader: Hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is? En hij zeide: Van zijn kindsheid af.En menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven; maar zo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons.En Jezus zeide tot hem: Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft.En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.En Jezus ziende, dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onreinen geest, zeggende tot hem: Gij stomme en dove geest! Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem.En hij, roepende en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, alzo dat velen zeiden, dat het gestorven was.En Jezus, hem bij de hand grijpende, richtte hem op; en hij stond op.En als Hij in huis gegaan was, vraagden Hem Zijn discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?En Hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR031
Munt in de bek van een vis
Het artikel behandelt het wonder van de munt in de bek van een vis, dat Jezus' wijsheid toont tegenover godsdienstige eisen. In Kafarnaüm vraagt Jezus aan Petrus een munt te vangen om de belasting te betalen, om de inners van de tempelbelasting niet te kwetsen. Dit verhaal benadrukt de dubbele natuur van Jezus als Zoon van God en leert het evenwicht tussen geestelijke vrijheid en eerbied voor de tradities.
Mattheüs 17.24-27 (De Heilige Schrift 1917) :En als zij te Kapernaum ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet?Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon! de koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen, of van de vreemden?Petrus zeide tot Hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij.Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp den angel uit, en den eersten vis, die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem dien, en geef hem aan hen voor Mij en u.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR032
Genezing van een vrouw op sabbat
Het artikel onderzoekt Lucas 13.10-21, waar Jezus op de sabbat een vrouw geneest en daarmee de kritiek van de synagogeleider uitlokt. Jezus wijst op de huichelarij van de critici en stelt dat goed doen altijd passend is. De gelijkenissen van het mosterdzaad en van het zuurdeeg illustreren de groei van het koninkrijk van God. Deze analyse benadrukt Jezus' macht en onderwijs.
Mattheüs 13.31-33 (De Heilige Schrift 1917) :Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan het mosterdzaad, hetwelk een mens heeft genomen en in zijn akker gezaaid;Hetwelk wel het minste is onder al de zaden, maar wanneer het opgewassen is, dan is 't het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, alzo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken.Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR033
Genezing van een man met waterzucht
Het artikel behandelt de genezing door Jezus van een man met waterzucht op een sabbat, volgens Lucas 14:2-6. De tekst belicht het conflict over genezingen op de sabbat en legt de nadruk op de voorrang van mededogen en barmhartigheid boven een strikte uitleg van de wet.
Markus 3.1-6 (De Heilige Schrift 1917) :En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand.En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden.En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem doden zouden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR034
Genezing van de tien melaatsen
Lucas 17.11-19 vertelt over de genezing van tien melaatsen door Jezus. Alleen een Samaritaan komt terug om Hem te bedanken, wat thema's als geloof, gehoorzaamheid, dankbaarheid en de openheid van het heil illustreert.
Lukas 17.11-19 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde, als Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij door het midden van Samaria en Galilea ging.En als Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, welke stonden van verre;En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester! ontferm U onzer!En als Hij hen zag, zeide Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelven den priesteren. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met grote stemme God verheerlijkende.En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelve was een Samaritaan;En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling?En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR035
Genezing van de blindgeborene
Johannes 9.1-12 vertelt de genezing door Jezus van een man die blind was geboren, waarin de werken van God zichtbaar worden. Jezus gebruikt modder om te genezen, wat doet denken aan de schepping in Genesis. De gehoorzaamheid en het geloof van de man zijn essentieel voor zijn genezing. De verbazing van de gemeenschap over de wonderen benadrukt de impact en de zending van Jezus, die het geestelijke licht in de wereld brengt.
Johannes 9.1-12 (De Heilige Schrift 1917) :En voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af.En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden?Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.Ik moet werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.Zolang Ik in de wereld ben, zo ben Ik het Licht der wereld.Dit gezegd hebbende, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de ogen des blinden;En zeide tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (hetwelk overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wies zich, en kwam ziende.De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden, dat hij blind was, zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde?Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik ben het.Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de ogen geopend?Hij antwoordde en zeide: De Mens, genaamd Jezus, maakte slijk, en bestreek mijn ogen, en zeide tot mij: Ga heen naar het badwater Siloam, en was u. En ik ging heen, en wies mij, en ik werd ziende.Zij dan zeiden tot hem: Waar is Die? Hij zeide: Ik weet het niet.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR036
Opwekking van Lazarus
Johannes 11:1-44 beschrijft de opwekking van Lazarus, die Jezus' macht over de dood en zijn menselijk mededogen illustreert. Dit wonder in Betanië openbaart het goddelijke en het mens-zijn van Jezus en versterkt het geloof van zijn leerlingen. Door Lazarus na vier dagen in het graf op te wekken, toont Jezus dat Hij de opstanding en het leven is, en nodigt Hij uit tot geloof voor het eeuwige leven.
Johannes 11.1-44 (De Heilige Schrift 1917) :En er was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bethanie, uit het vlek van Maria en haar zuster Martha.(Maria nu was degene, die den Heere gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder Lazarus krank was.)Zijn zusters dan zonden tot Hem, zeggende: Heere, zie, dien Gij liefhebt, is krank.En Jezus, dat horende, zeide: Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods; opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde.Jezus nu had Martha, en haar zuster, en Lazarus lief.Als Hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats, waar Hij was.Daarna zeide Hij verder tot de discipelen: Laat ons wederom naar Judea gaan.De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi! de Joden hebben U nu onlangs gezocht te stenigen, en gaat Gij wederom derwaarts?Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in den dag wandelt, zo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet;Maar indien iemand in den nacht wandelt, zo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is.Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken.Zijn discipelen dan zeiden: Heere, indien hij slaapt, zo zal hij gezond worden.Doch Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij sprak van de rust des slaaps.Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven.En Ik ben blijde om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij geloven moogt; doch laat ons tot hem gaan.Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijn medediscipelen: Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven.Jezus dan, gekomen zijnde, vond, dat hij nu vier dagen in het graf geweest was.(Bethanie nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadien van daar.)En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haar broeder.Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten.Zo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven;Maar ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan.Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage.Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven;En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?Zij zeide tot Hem: Ja, Heere; ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zuster, heimelijk, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u.Deze, als zij dat hoorde, stond haastelijk op, en ging tot Hem.(Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats, waar Hem Martha tegemoet gekomen was.)De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar vertroostten, ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar wene.Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn voeten, zeggende tot Hem: Heere, indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder niet gestorven.Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen, ook wenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde Zichzelven;En zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en zie het.Jezus weende.De Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had!En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Die de ogen des blinden geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware?Jezus dan wederom in Zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was een spelonk, en een steen was daarop gelegd.Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot Hem: Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen.Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt.Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lazarus, kom uit!En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem, en laat hem heengaan.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR037
Genezing van de blinde Bartimeüs
Dit artikel onderzoekt de verhalen over de genezing van Bartimeüs in de Evangeliën. Hoewel de details verschillen (aantal blinden, identificatie van Bartimeüs, precieze plaats), blijft de kern: het geloof van de blinden en het mededogen van Jezus die hen geneest.
Lukas 18.35-43 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde, als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan den weg zat, bedelende.En deze, horende de schare voorbijgaan, vraagde, wat dat ware.En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging.En hij riep, zeggende: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Zone Davids, ontferm U mijner!En Jezus, stilstaande, beval, dat men denzelven tot Hem brengen zou; en als hij nabij Hem gekomen was, vraagde Hij hem,Zeggende: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En hij zeide: Heere! dat ik ziende mag worden.En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden.En terstond werd hij ziende, en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk, dat ziende, gaf Gode lof.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
MIR038
Het verdorren van de vijgenboom
In Matteüs en Marcus vervloekt Jezus een vijgenboom om geloof en gebed te onderwijzen. Zijn woord laat de boom verdorren, wat de kracht van het geloof illustreert. Marcus benadrukt ook het belang van vergeving. De twee verhalen, hoewel ze verschillen in de volgorde van de gebeurtenissen, delen dezelfde centrale les: geloof en gebed kunnen wonderen verrichten als ze zonder twijfel worden beleefd.
Mattheüs 21.18-22 (De Heilige Schrift 1917) :En des morgens vroeg, als Hij wederkeerde naar de stad, hongerde Hem.En ziende, een vijgeboom aan den weg, ging Hij naar hem toe, en vond niets aan denzelven, dan alleenlijk bladeren; en zeide tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde terstond.En de discipelen, dat ziende, verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zo terstond verdord?Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij geloof hadt, en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleenlijk doen, hetgeen den vijgeboom is geschied; maar indien gij ook tot dezen berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou geschieden.En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER053
De koninklijke ambtenaar in Kana in Galilea
Perikoop 53 vertelt het wonder dat Jezus in Kana in Galilea verricht voor een koninklijke ambtenaar die uit Kafarnaüm komt vanwege zijn zieke zoon (Johannes 4.46-54). Deze episode, gedateerd in februari-maart 31, is volgens Johannes het tweede teken in Kana. De identiteit van de ambtenaar blijft onzeker, maar de auteur vermoedt een Romeinse afkomst, wat de universele redding in Johannes' theologie illustreert. Hij mag niet worden verward met de centurio uit perikoop 110.
Johannes 4.46-54 (De Heilige Schrift 1917) :Zo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaum.Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft.Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zeide, en ging heen.En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft!Zo vraagde hij dan van hen de ure, in welke het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts.De vader bekende dan, dat het in dezelve ure was, in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis.Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER055
De eerste wonderbare visvangst
Perikoop 55 vertelt over de eerste wonderbare visvangst, die alleen door Lucas wordt overgeleverd (Lucas 5.1-11), aan het begin van de bediening van Jezus in Galilea. Na een nacht vruchteloos vissen draagt Jezus Simon Petrus op de netten uit te werpen, wat een buitengewone vangst oplevert. Dit wonderlijke gebeuren, dat verschilt van dat in Johannes 21, lijkt de leerlingen in staat te hebben gesteld in de behoeften van hun gezinnen te voorzien voordat ze alles verlieten om Jezus te volgen, en illustreert de goddelijke voorzienigheid die elke roeping begeleidt.
Johannes 21.1-14 (De Heilige Schrift 1917) :Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich aldus:Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathanael, die van Kana in Galilea was, en de zonen van Zebedeus, en twee anderen van Zijn discipelen.Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en traden terstond in het schip; en in dien nacht vingen zij niets.En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet, dat het Jezus was.Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen.En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.De discipel dan, welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Heere! Simon Petrus dan, horende, dat het de Heere was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt), en wierp zichzelven in de zee.En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet verre van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), slepende het net met de vissen.Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood.Jezus zeide tot hen: Brengt van den vissen, die gij nu gevangen hebt.Simon Petrus ging op, en trok het net op het land, vol grote vissen, tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zovele waren, zo scheurde het net niet.Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? wetende, dat het de Heere was.Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en den vis desgelijks.Dit was nu de derde maal, dat Jezus Zijn discipelen geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER063
De genezing van een melaatse.
Dit artikel onderzoekt Jezus' genezing van een melaatse, belicht zijn mededogen en messiaanse gezag en bespreekt de spanningen met de religieuze autoriteiten in Galilea.
Lukas 7.22 (De Heilige Schrift 1917) :En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Gaat heen, en boodschapt Johannes weder de dingen, die gij gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, den armen het Evangelie verkondigd wordt.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER065
Genezing van een verlamde
Het artikel behandelt Jezus' genezing van een verlamde in Kafarnaüm en benadrukt zijn goddelijkheid, die door de vergeving van zonden wordt verkondigd. Dit schokt de deskundigen in de wet en vergroot de kloof tussen Jezus en de religieuze autoriteiten.
Markus 2.1-12 (De Heilige Schrift 1917) :En na sommige dagen is Hij wederom binnen Kapernaum gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was.En terstond vergaderden daar velen, alzo dat ook zelfs de plaatsen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en Hij sprak het woord tot hen.En er kwamen sommigen tot Hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd.En niet kunnende tot Hem genaken, overmits de schare, ontdekten zij het dak, waar Hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder, daar de geraakte op lag.En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven.En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun harten:Wat spreekt Deze aldus gods lasteringen? Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God?En Jezus, terstond in Zijn geest bekennende, dat zij alzo in zichzelven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uw harten?Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel?Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte):Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien!De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER070
De genezing van de zieke bij het bad van Betesda
Het artikel analyseert Jezus' genezing van de zieke bij het bad van Betesda op sabbat. Het toont zijn aanspraak op de positie van Heer van de sabbat en de spanningen met de farizeeën. Johannes beschrijft het wonder als een bewuste oproep om over de Joodse wetten na te denken en de misstanden in de uitleg door de godsdienstige autoriteiten aan het licht te brengen.
Johannes 5.2-16 (De Heilige Schrift 1917) :En er is te Jeruzalem aan de Schaaps poort, een badwater, hetwelk in het Hebreeuws toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen.In dezelve lag een grote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters.Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was.En aldaar was een zeker mens, die acht en dertig jaren krank gelegen had.Jezus, ziende dezen liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens, om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neder.Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op, en wandel.En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op denzelven dag.De Joden zeiden dan tot dengene, die genezen was: Het is sabbat; het is u niet geoorloofd het beddeken te dragen.Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op, en wandel.Zij vraagden hem dan: Wie is de Mens, Die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op, en wandel?En die gezond gemaakt was, wist niet, Wie Hij was; want Jezus was ontweken, alzo er een grote schare in die plaats was.Daarna vond hem Jezus in den tempel, en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.De mens ging heen, en boodschapte den Joden, dat het Jezus was, Die hem gezond gemaakt had.En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten Hem te doden, omdat Hij deze dingen op den sabbat deed.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER109
De genezing van een melaatse na de bergrede
Dit artikel onderzoekt de genezing van een melaatse door Jezus na de bergrede en bespreekt de uiteenlopende verslagen in de evangeliën van Matteüs, Marcus en Lucas. De genezing wordt beschreven als een uitdaging aan de strenge reinigingswetten, en het belang van het naleven van de wet van Mozes wordt benadrukt. Het artikel stelt vragen over de samenhang tussen verschillende evangelieverslagen.
Leviticus 13 (De Heilige Schrift 1917) :Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:Een mens, als in het vel zijns vleses een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleses tot een plaag der melaatsheid zou worden, hij zal dan tot den priester Aaron, of tot een uit zijn zonen, de priesteren, gebracht worden.En de priester zal de plaag in het vel des vleses bezien; zo het haar in die plaag in wit veranderd is, en het aanzien der plaag dieper is dan het vel zijns vleses, het is de plaag der melaatsheid; als de priester hem bezien zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren.Maar zo de blaar in het vel zijn vleses wit is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, en het haar niet in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, zeven dagen opsluiten.Daarna zal de priester op den zevenden dag hem bezien; indien, ziet, de plaag, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem zeven andere dagen opsluiten.En de priester zal hem andermaal op den zevenden dag bezien; indien, ziet, de plaag ingetrokken, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem rein verklaren; het was een verzwering; en hij zal zijn klederen wassen, zo is hij rein.Maar zo de verzwering in het vel ganselijk uitgespreid is, nadat hij aan den priester tot zijn reiniging zal vertoond zijn, zo zal hij andermaal aan den priester vertoond worden.Indien de priester merken zal, dat, ziet, de verzwering in het vel uitgespreid is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.Wanneer de plaag der melaatsheid in een mens zal zijn, zo zal hij tot den priester gebracht worden.Indien de priester merken zal, dat, ziet, een wit gezwel in het vel is, hetwelk het haar in wit veranderd heeft, en gezondheid van levend vlees in dat gezwel is;Dat is een verouderde melaatsheid in het vel zijns vleses; daarom zal hem de priester onrein verklaren; hij zal hem niet doen opsluiten, want hij is onrein.En zo de melaatsheid in het vel ganselijk uitbot, en de melaatsheid het gehele vel desgenen, die de plaag heeft, van zijn hoofd tot zijn voeten, bedekt heeft, naar al het gezicht van de ogen des priesters;En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn gehele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem, die de plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd; hij is rein.Maar ten welken dage levend vlees daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn.Als dan de priester dat levende vlees gezien zal hebben, zal hij hem onrein verklaren; dat levende vlees is onrein; het is melaatsheid.Of als dat levende vlees verkeert, en in wit veranderd zal worden, zo zal hij tot den priester komen.Als de priester hem bezien zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, rein verklaren; hij is rein.Het vlees ook, als in deszelfs vel een zweer zal geweest zijn, zo het genezen is;En in de plaats van die zweer een wit gezwel, of een witte roodachtige blaar worden zal, zo zal het aan den priester vertoond worden.Indien de priester merken zal, dat, ziet, haar aanzien lager is dan het vel, en derzelver haar in wit veranderd is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid, zij is door de zweer uitgebot.Wanneer nu de priester die bezien zal hebben, dat, ziet, geen wit haar daaraan is, en die niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.Zo zij daarna gans in het vel uitgespreid zal zijn, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag.Maar indien de blaar in haar plaats zal staande blijven, niet uitgespreid zijnde, het is de roof van die zweer, zo zal de priester hem rein verklaren;Of wanneer in het vel des vleses een vurige brand zal geweest zijn, en het gezonde van dien brand een witte roodachtige of witte blaar is;En de priester die gezien zal hebben, dat, ziet, het haar op de blaar in wit veranderd is, en haar aanzien dieper is dan het vel; het is melaatsheid, door den brand is zij uitgebot; daarom zal hem de priester onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.Maar indien de priester die merken zal, dat, ziet, op de blaar geen wit haar is, en zij niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.Daarna zal de priester hem op den zevenden dag bezien; indien zij gans uitgespreid is in het vel, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.Maar indien de blaar in haar plaats staande zal blijven, noch in het vel uitgespreid, maar ingetrokken zal zijn, het is een gezwel van den brand; daarom zal de priester hem rein verklaren, want het is de roof van den brand.Verder, als in een man of vrouw een plaag zal zijn in het hoofd, of in den baard;En de priester de plaag zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien dieper is dan het vel, en geelachtig dun haar daarop is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is schurftheid, het is melaatsheid van het hoofd of van den baard.Maar als de priester de plaag der schurftheid zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien niet dieper is dan het vel, en geen zwart haar daarop is, zo zal de priester hem, die de plaag der schurftheid heeft, zeven dagen doen opsluiten.Daarna zal de priester die plaag op den zevenden dag bezien; indien, ziet, de schurftheid niet uitgespreid, en daarop geen geelachtig haar is, noch het aanzien der schurftheid dieper dan het vel is;Zo zal hij zich scheren laten; maar de schurftheid zal hij niet scheren; en de priester zal hem, die de schurftheid heeft, andermaal zeven dagen doen opsluiten.Daarna zal de priester die schurftheid op den zevenden dag bezien; indien, ziet, de schurftheid in het vel niet uitgespreid is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, zo zal de priester hem rein verklaren; en hij zal zijn klederen wassen, en rein zijn.Maar indien de schurftheid in het vel gans uitgespreid is, na zijn reiniging;En de priester hem zal bezien hebben, dat, ziet, de schurftheid in het vel uitgespreid is, de priester zal naar het geelachtig haar niet zoeken; hij is onrein.Maar indien die schurftheid, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gewassen is, die schurftheid is genezen, hij is rein; daarom zal de priester hem rein verklaren.Verder als een man, of vrouw, aan het vel van hun vlees blaren zullen hebben, witte blaren;En de priester zal gemerkt hebben, dat, ziet, ingetrokken witte blaren in het vel van hun vlees zijn; het is een witte puist in het vel uitgebot, hij is rein.En als een man zijn hoofdhaar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein.En zo van de zijde zijns aangezichts het haar van zijn hoofd zal uitgevallen zijn, hij is bles, hij is rein.Maar zo in de kaalheid, of in de blesse, een witte roodachtige plaag is, dat is melaatsheid, uitbottende in zijn kaalheid, of in zijn blesse.Als de priester hem zal bezien hebben, dat, ziet, het gezwel van die plaag in zijn kaalheid, of blesse, wit roodachtig is, gelijk het aanzien der melaatsheid van het vel des vleses;Die man is melaats, hij is onrein; de priester zal hem ganselijk onrein verklaren, zijn plaag is op zijn hoofd.Voorts zullen de klederen des melaatsen, in wien die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein!Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen.Verder als aan een kleed de plaag der melaatsheid zal zijn, aan een wollen kleed, of aan een linnen kleed,Of aan den scheerdraad, of aan den inslag van linnen, of van wol, of aan vel, of aan enig vellenwerk;En die plaag aan het kleed, of aan het vel, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig vellentuig, groenachtig of roodachtig is; het is de plaag der melaatsheid; daarom zal zij den priester vertoond worden.En de priester zal de plaag bezien; en hij zal hetgeen de plaag heeft, zeven dagen doen opsluiten.Daarna zal hij op den zevenden dag de plaag bezien; zo de plaag uitgespreid is aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan het vel, tot wat werk dat vel zou mogen gemaakt zijn, die plaag is een knagende melaatsheid, het is onrein.Daarom zal hij dat kleed, of die werpte, of dien inslag van wol, of van linnen, of alle vellentuig, waarin die plaag zal zijn, verbranden; want het is een knagende melaatsheid; het zal met vuur verbrand worden.Doch indien de priester zal zien, dat, ziet, de plaag aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig vellentuig niet uitgespreid is;Zo zal de priester gebieden, dat men hetgeen, waaraan die plaag is, wasse, en hij zal dat andermaal zeven dagen doen opsluiten.Als de priester, nadat het gewassen is, de plaag zal bezien hebben, dat, ziet, de plaag haar gedaante niet veranderd heeft, en de plaag niet uitgespreid is, het is onrein, gij zult het met vuur verbranden; het is een ingraving aan zijn achterste of aan zijn voorste zijde.Indien nu de priester merken zal, dat, ziet, die plaag, nadat zij zal gewassen zijn, ingetrokken is; dan zal hij ze van het kleed, of van het vel, of van den scheerdraad, of van den inslag afscheuren.Maar zo zij nog aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig vellentuig, gezien wordt, het is uitbottende melaatsheid; gij zult hetgeen, waaraan de plaag is, met vuur verbranden.Maar het kleed, of de werpte, of de inslag, of alle vellentuig, dat gij gewassen zult hebben, als de plaag daarvan geweken zal zijn, dat zal andermaal gewassen worden, en het zal rein zijn.Dit is de wet van de plaag der melaatsheid, van een wollen of linnen kleed, of een werpte, of een inslag, of alle vellentuig, om dat rein te verklaren, of onrein te verklaren.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER110
De genezing van de dienaar van de Romeinse officier
Dit artikel onderzoekt de genezing door Jezus van de dienaar van een Romeinse officier in Kafarnaüm, een blijk van uitzonderlijk geloof en van Jezus’ gezag over alle volken.
Lukas 7.1-10 (De Heilige Schrift 1917) :Nadat Hij nu al Zijn woorden voleindigd had, ten aanhore des volks, ging Hij in te Kapernaum.En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, krank zijnde, lag op zijn sterven.En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de ouderlingen der Joden, Hem biddende, dat Hij wilde komen, en zijn dienstknecht gezond maken.Dezen nu, tot Jezus gekomen zijnde, baden Hem ernstelijk, zeggende: Hij is waardig, dat Gij hem dat doet;Want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd.En Jezus ging met hen. En als Hij nu niet verre van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en zeide tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.Daarom heb ik ook mijzelven niet waardig geacht, om tot U te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden.Want ik ben ook een mens, onder de macht van anderen gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.En Jezus, dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zeide tot de schare, die Hem volgde: Ik zeg ulieden: Ik heb zo groot een geloof zelfs in Israel niet gevonden.En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden den kranken dienstknecht gezond.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER111
De opwekking van de zoon van de weduwe van Naïn
Jezus wekt in Naïn de zoon van een weduwe op en toont daarmee zijn goddelijke macht en zijn rol als profeet. De gebeurtenis, beschreven in Lucas 7:11-17, vindt plaats na de Bergrede en trekt een grote menigte aan. De dorpsbewoners zien in Jezus een groot profeet, en het nieuws verspreidt zich in Galilea en Judea.
Lukas 7.11-17 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde op den volgenden dag, dat Hij ging naar een stad, genaamd Nain, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen, en een grote schare.En als Hij de poort der stad genaakte, zie daar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe en een grote schare van de stad was met haar.En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet.En Hij ging toe, en raakte de baar aan; (de dragers nu stonden stil) en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op!En de dode zat overeind, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder.En vreze beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht.En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judea, en in al het omliggende land.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER119
De genezing van de bezetene
Het artikel onderzoekt een episode uit Jezus' bediening in Kafarnaüm, waar Hij een bezetene geneest en wordt geconfronteerd met de farizeeën, die zijn macht aan Satan toeschrijven. Jezus duidt dit aan als lastering tegen de Heilige Geest. Het laat ook zien hoe Hij gelijkenissen gebruikt om zijn leerlingen te onderwijzen.
Mattheüs 12.22-24 (De Heilige Schrift 1917) :Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David?Maar de Farizeen, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beelzebul, den overste der duivelen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER151
De Messias Jezus stilt de storm
Na een intense dag van onderwijs steekt Jezus met zijn discipelen het Meer van Tiberias over. Er breekt een hevige storm los die de boot dreigt te doen zinken. Wakker gemaakt door de in paniek geraakte discipelen gebiedt Jezus de elementen te zwijgen, en meteen valt er een grote stilte. Deze gebeurtenis, verteld door Matteüs, Marcus en Lukas, openbaart het goddelijke gezag van Jezus over de natuur en leert hoe belangrijk een onwankelbaar geloof is, zelfs midden in beproevingen.
Lukas 8.22-25 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde in een van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen met Hem; en Hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer. En zij staken af.En als zij voeren, viel Hij in slaap; en er kwam een storm van wind op het meer, en zij werden vol waters, en waren in nood.En zij gingen tot Hem, en wekten Hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaan! en Hij, opgestaan zijnde, bestrafte den wind en de watergolven, en zij hielden op, en er werd stilte.En Hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij, bevreesd zijnde, verwonderden zich, zeggende tot elkander: Wie is toch Deze, dat Hij ook de winden en het water gebiedt, en zij zijn Hem gehoorzaam?De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER152
De genezing van de bezetene van Gadara
Perikoop 152 vertelt over de genezing van de bezetene van Gadara, overgeleverd door Matteüs (8.28-34), Marcus (5.1-20) en Lucas (8.26-40). Jezus komt in het gebied van Gadara, ontmoet bezetenen die tussen de graven wonen en bevrijdt hen van de demonen door deze te laten varen in een kudde zwijnen, die in het meer verdrinkt. Deze gebeurtenis toont de soevereine macht van de Messias over de demonische machten en zijn bediening die zich uitstrekt voorbij de grenzen van Israël.
Lukas 8.26-40 (De Heilige Schrift 1917) :En zij voeren voort naar het land der Gadarenen, hetwelk is tegenover Galilea.En als Hij aan het land uitgegaan was, ontmoette Hem een zeker man uit de stad, die van over langen tijd met duivelen was bezeten geweest; en was met geen klederen gekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven.En hij, Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor Hem neder, en zeide met een grote stem: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten, ik bid U, dat Gij mij niet pijnigt!Want Hij had den onreinen geest geboden, dat hij van den mens zou uitvaren; want hij had hem menigen tijd bevangen gehad; en hij werd met ketenen en met boeien gebonden, om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen.En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zeide: Legio. Want vele duivelen waren in hem gevaren.En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in den afgrond heen te varen.En aldaar was een kudde veler zwijnen, weidende op den berg; en zij baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten in dezelve te varen. En Hij liet het hun toe.En de duivelen, uitvarende van den mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer; en versmoorde.En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht; en heengaande boodschapten het in de stad, en op het land.En zij gingen uit, om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mens, van welken de duivelen uitgevaren waren, zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand; en zij werden bevreesd.En ook, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene was verlost geworden.En de gehele menigte van het omliggende land der Gadarenen baden Hem, dat Hij van hen wegging; want zij waren met grote vreze bevangen. En Hij, in het schip gegaan zijnde, keerde wederom.En de man, van welken de duivelen uitgevaren waren, bad Hem, dat hij mocht bij Hem zijn. Maar Jezus liet hem van Zich gaan, zeggende:Keer weder naar uw huis, en vertel, wat grote dingen u God gedaan heeft. En hij ging heen door de gehele stad, verkondigende, wat grote dingen Jezus hem gedaan had.En het geschiedde, als Jezus wederkeerde, dat Hem de schare ontving; want zij waren allen Hem verwachtende.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER153
De onderbroken genezing van de dochter van Jaïrus
Perikoop 153 vertelt het begin van de episode van het dochtertje van Jaïrus in Kafarnaüm (februari-maart 32 n.Chr.). Jaïrus, een overste van de synagoge, smeekt Jezus zijn enige dochter van 12 jaar te genezen. Maar Jezus, opgehouden door de menigte, komt niet op tijd: het meisje sterft. Dit synoptische verhaal (Mt 9.18-19; Mc 5.21-24; Lc 8.40-42) roept de vraag op naar het geloof van Jaïrus in het aangezicht van de beproeving van de dood.
Markus 5.21-24 (De Heilige Schrift 1917) :En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee.En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jairus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U, dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.En Hij ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER154
De genezing van de vrouw met bloedvloeiingen
Pericoop 154 vertelt over de genezing van een vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed, zoals beschreven door Matteüs, Marcus en Lucas. In Kafarnaüm raakt zij onopvallend het kleed van Jezus aan, terwijl Hij onderweg is naar het huis van Jaïrus. Zij wordt op slag genezen en door Jezus publiekelijk herkend, die verklaart: 'Uw geloof heeft u gered.' Het artikel vergelijkt de drie synoptische verslagen en onderzoekt de theologische, christologische en sociale betekenis van dit geloofswonder.
Leviticus 15.25-27 (De Heilige Schrift 1917) :Wanneer ook een vrouw, vele dagen buiten den tijd harer afzondering, van den vloed haars bloeds vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal boven hare afzondering, zij zal al den dagen van den vloed harer onreinigheid, als in de dagen harer afzondering onrein zijn.Alle leger, waarop zij al de dagen haars vloeds gelegen zal hebben, zal haar zijn als het leger harer afzondering; en alle tuig, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn, naar de onreinigheid harer afzondering.En zo wie die dingen aanroert, zal onrein zijn; daarom zal hij zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER155
De genezing van het dochtertje van Jaïrus
Perikoop 155 vertelt over de opwekking van het dochtertje van Jaïrus door de Messias Jezus in Kafarnaüm (febr.-maart 32). Jaïrus, een overste van de synagoge, werpt zich voor Jezus neer om te smeken om de genezing van zijn stervende dochtertje. Ondanks de vertraging door de genezing van een vrouw met bloedvloeiing gaat Jezus naar het huis, spreekt „Talitha koemi” uit en wekt het meisje op. Dit wonder getuigt van zijn gezag over de dood en roept op tot geloof, ook in hopeloze situaties.
Lukas 8.49-56 (De Heilige Schrift 1917) :Als Hij nog sprak, kwam er een van het huis des oversten der synagoge, zeggende tot hem: Uw dochter is gestorven; zijt den Meester niet moeielijk.Maar Jezus, dat horende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet, geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden.En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en den vader en de moeder des kinds.En zij schreiden allen, en maakten misbaar over hetzelve. En Hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven; maar zij slaapt.En zij belachten Hem, wetende, dat zij gestorven was.Maar als Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op!En haar geest keerde weder, en zij is terstond opgestaan; en Hij gebood, dat men haar te eten geven zoude.En haar ouders ontzetten zich; en Hij beval hun, dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER156
De genezing van twee blinden
De genezing van twee blinden in Kafarnaüm, alleen door Matteüs overgeleverd (Mt 9.27-31), illustreert het messiaanse geloof: de twee mannen erkennen Jezus als ‘Zoon van David’. Jezus geneest hen naar hun geloof en vraagt hun te zwijgen, omdat hij de menigten wilde richten op het eeuwige heil in plaats van op lichamelijke genezingen. Dit verhaal bereidt het antwoord van Jezus aan Johannes de Doper in Matteüs 11.5 voor.
Markus 10.46-52 (De Heilige Schrift 1917) :En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeus, Bar-timeus, de blinde, aan den weg, bedelende.En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner.En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel temeer: Gij Zone Davids! ontferm U mijner.En Jezus, stil staande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed; sta op; Hij roept u.En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus.En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden.En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER157
De genezing van een bezetene
Pericoop 157 vertelt over de genezing van een stomme bezetene door Jezus in Kafarnaüm, die alleen door Matteüs wordt beschreven (Matt. 9,32-33). Deze episode belicht het gezag van Jezus over de demonische machten, de rol van het voorbiddende geloof en het contrast tussen de verbazing van de menigte en het ongeloof van de farizeeën. Matteüs bouwt hier een geleidelijk messiaans betoog op, waarin hij Jezus voorstelt als degene wiens wonderen in Israël geen precedent hebben.
Mattheüs 9.32-33 (De Heilige Schrift 1917) :Als dezen nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van den duivel bezeten was.En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Er is nooit desgelijks in Israel gezien!De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER169
De vermenigvuldiging van de broden voor de 5000 personen
De vermenigvuldiging van de broden voor 5000 mannen is een wonder dat door alle vier de evangelisten wordt getuigd en zich afspeelt bij Betsaïda in april 32 n.Chr. Met slechts vijf broden en twee vissen voedt Jezus een immense menigte, wat zijn goddelijke macht en zijn herderlijke medelijden illustreert en vooruitwijst naar de eucharistie. De twaalf overgebleven manden symboliseren de overvloed van het Koninkrijk van God.
Johannes 6.5-13 (De Heilige Schrift 1917) :Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot Filippus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen?(Doch dit zeide Hij, hem beproevende; want Hij wist Zelf, wat Hij doen zou.)Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme.Een van Zijn discipelen, namelijk Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem:Hier is een jongsken, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?En Jezus zeide: Doet de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal.En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze den discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; desgelijks ook van de visjes, zoveel zij wilden.En als zij verzadigd waren, zeide Hij tot Zijn discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga.Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, welke overgeschoten waren dengenen, die gegeten hadden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER171
De Messias Jezus en Petrus lopen over het water
Perikoop 171 analyseert het wonder van Jezus die over het water van het Meer van Gennesaret loopt (april 32 n.Chr.), met inbegrip van de episode van Petrus. Een nauwkeurige vergelijking van de verslagen van Matteüs 14.22-32, Marcus 6.45-52 en Johannes 6.16-21 brengt overeenkomsten en verschillen aan het licht en toont de goddelijke kracht van de Messias en de spanning tussen geloof en twijfel bij de discipelen.
Johannes 6.16-21 (De Heilige Schrift 1917) :En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee.En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapernaum. En het was alrede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen.En de zee verhief zich, overmits er een grote wind waaide.En als zij omtrent vijf en twintig of dertig stadien gevaren waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zee, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd.Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het; zijt niet bevreesd.Zij hebben dan Hem gewilliglijk in het schip genomen; en terstond kwam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER180
Genezing van de dochter van de Syro-Fenicische vrouw
Dit artikel behandelt de genezing van de dochter van de Syro-Fenicische vrouw en benadrukt de openheid van de boodschap van Jezus voor de heidenen. Uitgaande van de evangeliën van Matteüs en Marcus belicht het het menselijk geloof voorbij etnische en culturele grenzen. Het verhaal toont de voorrangsroeping van Jezus voor Israël, en erkent tegelijk het blijk van geloof van de niet-Joden.
Markus 7.24-30 (De Heilige Schrift 1917) :En van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon nochtans niet verborgen zijn.Want een vrouw, welker dochtertje een onreinen geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan Zijn voeten.Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syro-Fenicie; en zij bad Hem, dat Hij den duivel uitwierp uit haar dochter.Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens voor werpe.Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen.En Hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.En als zij in haar huis kwam, vond zij, dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER182
Tweede vermenigvuldiging van de broden voor 4000 personen
Het artikel analyseert de tweede vermenigvuldiging van de broden door Jezus voor vierduizend mensen, aan de hand van de evangeliën van Matteüs en Marcus. Het onderzoekt de nuances tussen beide verslagen en benadrukt daarbij het medelijden van Jezus en zijn vermogen om in de behoeften van de menigte te voorzien.
Mattheüs 15.32-38 (De Heilige Schrift 1917) :En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchteren van Mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken.En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Van waar zullen wij zovele broden in de woestijn bekomen, dat wij zulk een grote schare zouden verzadigen?En Jezus zeide tot hen: Hoevele broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en weinige visjes.En Hij gebood den scharen neder te zitten op de aarde.En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen gaven ze aan de schare.En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, zeven volle manden.En die daar gegeten hadden, waren vier duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER187
De blinde van Betsaïda
Het artikel onderzoekt het unieke wonder van de genezing van de blinde van Betsaïda door Jezus, dat alleen in het evangelie van Marcus wordt verteld. Deze geleidelijke genezing in twee stappen symboliseert de geestelijke groei en het geleidelijke inzicht van de leerlingen.
Markus 5.35-43 (De Heilige Schrift 1917) :Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk?En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk.En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, den broeder van Jakobus;En kwam in het huis des oversten der synagoge; en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden.En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talitha kumi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op.En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat men haar zou te eten geven.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER199
De tempelbelasting in de bek van de vis
Het artikel behandelt de kwestie van de tempelbelasting, die Jezus in Kafarnaüm aanpakt. Hoewel hij zijn goddelijke zoonschap bevestigt, betaalt Jezus de belasting toch om ergernis te voorkomen, en toont zo zijn wijsheid. Het wonder van de vis onderstreept de goddelijke voorzienigheid en Jezus’ trouw aan de sociale en religieuze wetten.
Mattheüs 17.24-27 (De Heilige Schrift 1917) :En als zij te Kapernaum ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet?Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon! de koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen, of van de vreemden?Petrus zeide tot Hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij.Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp den angel uit, en den eersten vis, die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem dien, en geef hem aan hen voor Mij en u.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER231
Genezing van een vrouw op sabbat
Perikoop 231 beschrijft de genezing door Jezus van een vrouw die achttien jaar lang gebrekkig was, op een sabbat in een synagoge in Jeruzalem (Lucas 13.10-17). Deze daad wekt de verontwaardiging van de religieuze autoriteiten, die Jezus beschaamt door op hun tegenstrijdigheden te wijzen. De menigte daarentegen bewondert en verheerlijkt God. De episode illustreert de spanning tussen de farizeese traditie en de authentieke toepassing van de goddelijke wet, en toont tegelijk het volhardende geloof van deze vrouw.
Johannes 9.1-41 (De Heilige Schrift 1917) :En voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af.En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden?Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.Ik moet werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.Zolang Ik in de wereld ben, zo ben Ik het Licht der wereld.Dit gezegd hebbende, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de ogen des blinden;En zeide tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (hetwelk overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wies zich, en kwam ziende.De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden, dat hij blind was, zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde?Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik ben het.Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de ogen geopend?Hij antwoordde en zeide: De Mens, genaamd Jezus, maakte slijk, en bestreek mijn ogen, en zeide tot mij: Ga heen naar het badwater Siloam, en was u. En ik ging heen, en wies mij, en ik werd ziende.Zij dan zeiden tot hem: Waar is Die? Hij zeide: Ik weet het niet.Zij brachten hem tot de Farizeen, hem namelijk, die te voren blind geweest was.En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijn ogen opende.De Farizeen dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende geworden was. En hij zeide tot hen: Hij legde slijk op mijn ogen, en ik wies mij, en ik zie.Sommigen dan uit de Farizeen zeiden: Deze Mens is van God niet, want Hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mens, die een zondaar is, zulke tekenen doen? En er was tweedracht onder hen.Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat zegt gij van Hem; dewijl Hij uw ogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een Profeet.De Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind geweest was, en ziende was geworden, totdat zij geroepen hadden de ouders desgenen, die ziende geworden was.En zij vraagden hun, zeggende: Is deze uw zoon, welken gij zegt, dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?Zijn ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten, dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is;Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet; hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven; hij zal van zichzelven spreken.Dit zeiden zijn ouders, omdat zij de Joden vreesden; want de Joden hadden alrede te zamen een besluit gemaakt, zo iemand Hem beleed Christus te zijn, dat die uit de synagoge zou geworpen worden.Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven.Zij dan riepen voor de tweede maal den mens, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eer; wij weten, dat deze Mens een zondaar is.Hij dan antwoordde en zeide: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; een ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie.En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?Hij antwoordde hun: Ik heb het u alrede gezegd, en gij hebt het niet gehoord; wat wilt gij het wederom horen? Wilt gijlieden ook Zijn discipelen worden?Zij gaven hem dan scheldwoorden, en zeiden: Gij zijt Zijn discipel; maar wij zijn discipelen van Mozes.Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar Dezen weten wij niet, van waar Hij is.De mens antwoordde, en zeide tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat gij niet weet, van waar Hij is, en nochtans heeft Hij mijn ogen geopend.En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, dien hoort Hij.Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen ogen geopend heeft.Indien Deze van God niet ware, Hij zou niets kunnen doen.Zij antwoordden, en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren, en leert gij ons? En zij wierpen hem uit.Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende, zeide Hij tot hem: Gelooft gij in den Zoon van God?Hij antwoordde en zeide: Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem moge geloven?En Jezus zeide tot Hem: En gij hebt Hem gezien, en Die met u spreekt, Dezelve is het.En hij zeide: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem.En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden.En dit hoorden enigen uit de Farizeen, die bij Hem waren, en zeiden tot Hem: Zijn wij dan ook blind?Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zo zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; zo blijft dan uw zonde.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER236
Genezing van een man met waterzucht
Een man met waterzucht wordt door de Messias Jezus genezen tijdens een sabbatsmaaltijd in het huis van een farizeeër in Jeruzalem. Tegenover de wetsgeleerden stelt Jezus een vraag over de geoorloofdheid van genezen op de sabbat en handelt dan zonder hun antwoord af te wachten. Zijn gesprekspartners, die niets kunnen terugzeggen, zwijgen. Lucas is de enige evangelist die deze gebeurtenis vermeldt (Lucas 14.2-6), gedateerd op 4 december 32 n.Chr.
Lukas 14.3 (De Heilige Schrift 1917) :En Jezus, antwoordende, zeide tot de wetgeleerden en Farizeen, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken?De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER250
De genezing van de tien melaatsen
Dit artikel behandelt de genezing van tien melaatsen door Jezus, met nadruk op dankbaarheid en insluiting, met name door een Samaritaan. De gebeurtenis benadrukt de goddelijke genade en het belang van geloof over etnische scheidslijnen heen.
Lukas 9.51 (De Heilige Schrift 1917) :En het geschiedde, als de dagen Zijner opneming vervuld werden, zo richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER255
Genezing van een blindgeborene
Dit artikel onderzoekt de genezing van een blindgeborene door Jezus in Jeruzalem (Johannes 9.1-34). Het verhaal belicht de theologische diepte van de gebeurtenis en verbindt de Joodse feesten symbolisch met de zending van Jezus als het licht van de wereld. De genezing legt de nadruk op de geestelijke en profetische boodschap van het Evangelie volgens Johannes.
Johannes 10.22 (De Heilige Schrift 1917) :En het was het feest der vernieuwing des tempels te Jeruzalem; en het was winter.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER270
Genezingen van blinden bij Jericho
Het artikel behandelt de genezingen van blinden door Jezus bij Jericho. Geplaatst in de context van de synoptische evangeliën onderzoekt het de chronologische en theologische uitleg van deze gebeurtenissen, waarbij de erkenning van Jezus als Messias en zijn tocht naar Jeruzalem in het jaar 33 n.Chr. worden benadrukt.
Johannes 11.14 (De Heilige Schrift 1917) :Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER273
De opwekking van Lazarus
Jezus wekt Lazarus op in Betanië en openbaart zo zijn goddelijke macht over de dood, als opmaat naar Pesach. Tussen Chanoeka en Pesach, na twee dagen van overpeinzing, maakt Jezus de veelbetekenende reis met opvallende ontmoetingen in Jericho, die het nabije lijden aankondigt. De reactie van de religieuze autoriteiten op dit wonder versnelt de kruisiging van Jezus.
Johannes 11.53 (De Heilige Schrift 1917) :Van dien dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER285
Genezing van blinden en kreupelen
Na de reiniging van de tempel geneest Jezus op maandag 28 maart van het jaar 33 blinden en lammen op het voorhof. Alleen Matteüs vertelt deze gebeurtenis. De menigte en de kinderen juichen hem toe als Zoon van David, terwijl de overpriesters en de schriftgeleerden, steeds vijandiger, verontwaardigd zijn over deze messiaanse betuigingen. Deze gebeurtenis laat het contrast zien tussen het geloof van het eenvoudige volk en de afwijzing door de godsdienstige leiders.
Psalmen 8.2 (De Heilige Schrift 1917) :(8:3) Uit den mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org
-
ANN072
De wonderen van Jezus, de Messias
Het artikel onderzoekt de wonderen van Jezus in de Evangeliën, hun betekenis, hun ontvangst en de vraag naar hun echtheid. Het confronteert het historische perspectief…