Étude 1 sur 47 · Le sermon sur la montagne (16), les soucis et les inquiétudes

  1. Étude 1 : Le sermon sur la montagne (16), les soucis et les inquiétudes
  2. Étude 2 : La parabole du grain de sénevé
  3. Étude 3 : La guérison de la fille de Jaïrus interrompue
  4. Étude 4 : La guérison de la femme à la perte de sang
  5. Étude 5 : La guérison de la fille de Jaïrus
  6. Étude 6 : La guérison de deux aveugles
  7. Étude 7 : Le jugement des pharisiens
  8. Étude 8 : Retour à Nazareth
  9. Étude 9 : Le Messie Jésus et Pierre marchent sur les eaux
  10. Étude 10 : Nombreuses guérisons à Génésareth
  11. Étude 11 : Enseignement du Messie Jésus à propos du pain de vie
  12. Étude 12 : L'épreuve de la consécration
  13. Étude 13 : Enseignement des disciples sur l'influence des pharisiens
  14. Étude 14 : L'aveugle de Bethsaïda
  15. Étude 15 : Un démon difficile à chasser
  16. Étude 16 : L’explication de l’échec des disciples
  17. Étude 17 : La parabole de l’ami importun
  18. Étude 18 : Le Messie Jésus contesté après un miracle
  19. Étude 19 : Instruction sur les scandales, le pardon et la foi
  20. Étude 20 : Le figuier est sec
  21. Étude 21 : Le don de la pauvre veuve
  22. Étude 22 : L’incrédulité des Juifs
  23. Étude 23 : Le chemin qui mène au ciel
  24. Étude 24 : Chapitre 2, tenir ferme quand tout vacille
  25. Étude 25 : Guérison du fils d'un officiel royal
  26. Étude 26 : La guérison d'un lépreux
  27. Étude 27 : Guérison du paralytique
  28. Étude 28 : Guérison du serviteur du centurion
  29. Étude 29 : Le Messie Jésus calme la tempête
  30. Étude 30 : Résurrection de la fille de Jaïrus
  31. Étude 31 : Guérison de la femme hémorroïsse
  32. Étude 32 : Guérison de deux aveugles
  33. Étude 33 : Guérison à Génésareth
  34. Étude 34 : Guérison des dix lépreux
  35. Étude 35 : Guérison de Bartimée l'aveugle
  36. Étude 36 : Marche sur l'eau
  37. Étude 37 : Résurrection de Lazare
  38. Étude 38 : Dessèchement du figuier
  39. Étude 39 : Le Dieu unique et Abram
  40. Étude 40 : Veux-tu être guéri ?
  41. Étude 41 : Celui qui cherche trouve
  42. Étude 42 : Crois au Seigneur Jésus et tu seras sauvé
  43. Étude 43 : Dieu est-il injuste
  44. Étude 44 : J’ai prié pour toi, te dit Jésus !
  45. Étude 45 : L’Eternel combattra pour vous
  46. Étude 46 : Ne crains pas, crois seulement
  47. Étude 47 : Conduis-moi sur le rocher que je ne puis atteindre

Van het tweede tot het derde pesachfeest

  • De Bergrede (16), zorgen en bezorgdheid

    Het artikel onderzoekt Jezus’ Bergrede en stelt geloof boven materiële zorgen. Het put voornamelijk uit het onderricht van Matteüs en Lucas en beschrijft hoe Jezus zijn leerlingen aanspoorde op God te vertrouwen.

    Mattheüs 16.8 (De Heilige Schrift 1917) :
    En Jezus, dat wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij uzelven, gij kleingelovigen! dat gij geen broden mede genomen hebt?
    Lire la suite
  • De gelijkenis van het mosterdzaad

    De gelijkenis van het mosterdzaad (Mt 13.31-32; Mc 4.30-32; Lc 13.18-19) illustreert het Koninkrijk van God aan de hand van een piepklein zaadje dat een grote boom wordt. Ze werd in 31 na Chr. bij Kafarnaüm uitgesproken en leert dat het Koninkrijk bescheiden begint, maar een buitengewone groei doormaakt en iedereen beschutting en een welkom biedt. Ze nodigt uit tot geloof, geduld en vertrouwen op God voor geestelijke groei.

    Lukas 13.18-19 (De Heilige Schrift 1917) :
    En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken?Het is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het wies op, en werd tot een groten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken.
    Lire la suite
  • De onderbroken genezing van de dochter van Jaïrus

    Perikoop 153 vertelt het begin van de episode van het dochtertje van Jaïrus in Kafarnaüm (februari-maart 32 n.Chr.). Jaïrus, een overste van de synagoge, smeekt Jezus zijn enige dochter van 12 jaar te genezen. Maar Jezus, opgehouden door de menigte, komt niet op tijd: het meisje sterft. Dit synoptische verhaal (Mt 9.18-19; Mc 5.21-24; Lc 8.40-42) roept de vraag op naar het geloof van Jaïrus in het aangezicht van de beproeving van de dood.

    Lukas 8.40-42 (De Heilige Schrift 1917) :
    En het geschiedde, als Jezus wederkeerde, dat Hem de schare ontving; want zij waren allen Hem verwachtende.En ziet, er kwam een man, wiens naam was Jairus, en hij was een overste der synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen.Want hij had een enige dochter, van omtrent twaalf jaren, en deze lag op haar sterven. En als Hij heenging, zo verdrongen Hem de scharen.
    Lire la suite
  • De genezing van de vrouw met bloedvloeiingen

    Pericoop 154 vertelt over de genezing van een vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed, zoals beschreven door Matteüs, Marcus en Lucas. In Kafarnaüm raakt zij onopvallend het kleed van Jezus aan, terwijl Hij onderweg is naar het huis van Jaïrus. Zij wordt op slag genezen en door Jezus publiekelijk herkend, die verklaart: 'Uw geloof heeft u gered.' Het artikel vergelijkt de drie synoptische verslagen en onderzoekt de theologische, christologische en sociale betekenis van dit geloofswonder.

    Leviticus 15.25-27 (De Heilige Schrift 1917) :
    Wanneer ook een vrouw, vele dagen buiten den tijd harer afzondering, van den vloed haars bloeds vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal boven hare afzondering, zij zal al den dagen van den vloed harer onreinigheid, als in de dagen harer afzondering onrein zijn.Alle leger, waarop zij al de dagen haars vloeds gelegen zal hebben, zal haar zijn als het leger harer afzondering; en alle tuig, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn, naar de onreinigheid harer afzondering.En zo wie die dingen aanroert, zal onrein zijn; daarom zal hij zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.
    Lire la suite
  • De genezing van het dochtertje van Jaïrus

    Perikoop 155 vertelt over de opwekking van het dochtertje van Jaïrus door de Messias Jezus in Kafarnaüm (febr.-maart 32). Jaïrus, een overste van de synagoge, werpt zich voor Jezus neer om te smeken om de genezing van zijn stervende dochtertje. Ondanks de vertraging door de genezing van een vrouw met bloedvloeiing gaat Jezus naar het huis, spreekt „Talitha koemi” uit en wekt het meisje op. Dit wonder getuigt van zijn gezag over de dood en roept op tot geloof, ook in hopeloze situaties.

    Markus 5.35-43 (De Heilige Schrift 1917) :
    Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk?En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk.En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, den broeder van Jakobus;En kwam in het huis des oversten der synagoge; en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden.En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talitha kumi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op.En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat men haar zou te eten geven.
    Lire la suite
  • De genezing van twee blinden

    De genezing van twee blinden in Kafarnaüm, alleen door Matteüs overgeleverd (Mt 9.27-31), illustreert het messiaanse geloof: de twee mannen erkennen Jezus als ‘Zoon van David’. Jezus geneest hen naar hun geloof en vraagt hun te zwijgen, omdat hij de menigten wilde richten op het eeuwige heil in plaats van op lichamelijke genezingen. Dit verhaal bereidt het antwoord van Jezus aan Johannes de Doper in Matteüs 11.5 voor.

    Mattheüs 11.5 (De Heilige Schrift 1917) :
    De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd.
    Lire la suite
  • Het oordeel over de farizeeën

    De perikoop PER158 analyseert de reactie van de farizeeën op de wonderen van Jezus in Kafarnaüm (Mt 9.33-34). Terwijl de menigte een goddelijk werk erkent, schrijven de farizeeën de daden van Jezus toe aan de duivel. Hun afwijzing is welbewust: Jezus aanvaarden zou betekenen dat ze hun voorrechten verliezen. Toch zullen sommigen, zoals Nikodemus, Jozef van Arimatea en Saulus van Tarsus, ervoor kiezen hem te volgen. De genezen stomme gaat daarentegen vol vreugde en dankbaarheid weg.

    Johannes 3.1-21 (De Heilige Schrift 1917) :
    En er was een mens uit de Farizeen, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden;Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is.Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden?Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is.Nicodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden?Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israel, en weet gij deze dingen niet?Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan.Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in den hemel is.En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden;Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.
    Lire la suite
  • Terugkeer naar Nazaret

    De tweede terugkeer van Jezus naar Nazaret (maart 32 n.Chr.) wordt verteld door Matteüs en Marcus. Ondanks zijn onderwijs in de synagoge wijzen de inwoners hem af vanwege hun vertrouwdheid met hem en zijn familie. Het gebrek aan geloof beperkt zijn wonderen. Jezus spreekt het beroemde woord: ‘Een profeet wordt alleen in zijn vaderstad veracht.’ Marcus voegt details toe die bij Matteüs ontbreken: de aanwezigheid van de discipelen en de verbazing van Jezus over het ongeloof.

    Markus 6.1-6 (De Heilige Schrift 1917) :
    En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem.En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij werden aan Hem geergerd.En Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeeerd dan in zijn vaderland en onder zijn magen, en in zijn huis.En Hij kon aldaar geen kracht doen; dan Hij legde weinigen zieken de handen op, en genas hen.En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, lerende.
    Lire la suite

Van het derde Pesach tot het begin van de laatste week

  • De Messias Jezus en Petrus lopen over het water

    Perikoop 171 analyseert het wonder van Jezus die over het water van het Meer van Gennesaret loopt (april 32 n.Chr.), met inbegrip van de episode van Petrus. Een nauwkeurige vergelijking van de verslagen van Matteüs 14.22-32, Marcus 6.45-52 en Johannes 6.16-21 brengt overeenkomsten en verschillen aan het licht en toont de goddelijke kracht van de Messias en de spanning tussen geloof en twijfel bij de discipelen.

    Johannes 6.22-24 (De Heilige Schrift 1917) :
    Des anderen daags de schare, die aan de andere zijde der zee stond, ziende, dat aldaar geen ander scheepje was dan dat ene, daar Zijn discipelen ingegaan waren, en dat Jezus met Zijn discipelen in dat scheepje niet was gegaan, maar dat Zijn discipelen alleen weggevaren waren;(Doch er kwamen andere scheepjes van Tiberias, nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, als de Heere gedankt had.)Toen dan de schare zag, dat Jezus aldaar niet was, noch Zijn discipelen, zo gingen zij ook in de schepen, en kwamen te Kapernaum, zoekende Jezus.
    Lire la suite
  • Talrijke genezingen in Gennesaret

    Pericoop 173 vertelt over de talrijke genezingen die Jezus in april van het jaar 32 n.Chr. in Gennesaret (Galilea) verrichtte, volgens Matteüs 14.34-36 en Marcus 6.53-56. Bij zijn aankomst wordt Jezus onmiddellijk herkend en stromen scharen zieken toe om de zoom van zijn mantel aan te raken en zo genezing te ontvangen. De synoptische analyse laat belangrijke overeenkomsten zien tussen de twee evangelisten, evenals aanvullende nuances. Deze episode illustreert het geloof van het volk en de goddelijke kracht van Jezus, en kondigt de toenemende spanningen met de religieuze autoriteiten aan.

    Markus 6.54 (De Heilige Schrift 1917) :
    En als zij uit het schip gegaan waren, terstond werden zij Hem kennende.
    Lire la suite
  • Onderwijs van de Messias Jezus over het brood des levens

    Johannes 6.22-59 vermeldt de rede van Jezus over het brood des levens, uitgesproken in de synagoge van Kafarnaüm op een sabbat in mei 32 n.Chr. Na de vermenigvuldiging van de broden openbaart Jezus zich als het 'brood des levens' en nodigt hij de menigte uit in hem te geloven om het eeuwige leven te verkrijgen. Deze passage, die alleen bij Johannes voorkomt, vertoont een grote christologische en eucharistische rijkdom, tegenover het onbegrip en het gemor van zijn toehoorders.

    Johannes 6.28 (De Heilige Schrift 1917) :
    Zij zeiden dan tot Hem: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?
    Lire la suite
  • De beproeving van de toewijding

    De perikoop PER175 vertelt, volgens de enige getuigenis van Johannes (Joh 6,60-61), de reactie van veel leerlingen die, geschokt door de toespraak over het brood des levens in Kafarnaüm, besluiten de Messias Jezus te verlaten. Dit moment van beproeving laat de kloof zien tussen de politieke messiaanse verwachtingen en het geestelijke voorstel van Jezus, en nodigt de lezer uit tot een diepe overdenking van de ware aard van geloof en toewijding.

    Johannes 6.66 (De Heilige Schrift 1917) :
    Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.
    Lire la suite
  • Onderricht van de leerlingen over de invloed van de farizeeën

    Jezus waarschuwt zijn apostelen voor de verderfelijke invloed van de farizeeën, die wordt gesymboliseerd door het „zuurdeeg”. Matteüs en Marcus vertellen over dit onderricht tijdens een overtocht naar Betsaïda, waarbij het de leerlingen aan brood ontbreekt. Jezus wijst op hun gebrek aan geloof en nodigt hen uit de geestelijke strekking van zijn woorden te vatten, voorbij de materiële zorgen.

    Markus 8.14-21 (De Heilige Schrift 1917) :
    En Zijn discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan een brood met zich in het schip.En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdesem der Farizeen, en van den zuurdesem van Herodes.En zij overleiden onder elkander, zeggende: Het is, omdat wij geen broden hebben.En Jezus, dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geen broden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet, hebt gij nog uw verharde hart?Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet? (8:19) En gedenkt gij niet,toen Ik de vijf broden brak onder de vijf duizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeggen Hem: Twaalf.En toen Ik de zeven brak onder de vier duizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven.En Hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet?
    Lire la suite
  • De blinde van Betsaïda

    Het artikel onderzoekt het unieke wonder van de genezing van de blinde van Betsaïda door Jezus, dat alleen in het evangelie van Marcus wordt verteld. Deze geleidelijke genezing in twee stappen symboliseert de geestelijke groei en het geleidelijke inzicht van de leerlingen.

    Markus 8.22-26 (De Heilige Schrift 1917) :
    En Hij kwam te Bethsaida; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij hem aanraakte.En de hand des blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zijn ogen, en leide de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag.En hij, opziende, zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen.Daarna leide Hij de handen wederom op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar.En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek.
    Lire la suite
  • Een moeilijk uit te drijven demon

    Het artikel onderzoekt de mislukte poging van de leerlingen om een demon uit een jongen te drijven, waardoor na de verheerlijking op de berg het ingrijpen van Jezus nodig was. De verhalen bij Matteüs, Marcus en Lucas wijzen de zwakte van hun geloof aan als reden van hun mislukking.

    Lukas 9.37-45 (De Heilige Schrift 1917) :
    En het geschiedde des daags daaraan, als zij van den berg afkwamen, dat Hem een grote schare in het gemoet kwam.En ziet, een man van de schare riep uit, zeggende: Meester, ik bid U, zie toch mijn zoon aan; want hij is mij een eniggeborene.En zie, een geest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert hem.En ik heb Uw discipelen gebeden, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.En Jezus, antwoordende, zeide: O ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, en ulieden verdragen? Breng uw zoon hier.En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijn vader weder.En zij werden allen verslagen over de grootdadigheid Gods. En als zij allen zich verwonderden over al de dingen, die Jezus gedaan had, zeide Hij tot Zijn discipelen:Legt gij deze woorden in uw oren: Want de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in der mensen handen.Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord Hem te vragen.
    Lire la suite
  • De verklaring voor het falen van de leerlingen

    Het artikel analyseert het falen van de discipelen bij het uitdrijven van een demon, waarop Jezus de nadruk legt. Volgens Matteüs en Marcus zijn geestelijke praktijken zoals geloof, gebed en vasten essentieel om geestelijke obstakels te overwinnen.

    Markus 9.28-29 (De Heilige Schrift 1917) :
    En als Hij in huis gegaan was, vraagden Hem Zijn discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?En Hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten.
    Lire la suite
  • De gelijkenis van de opdringerige vriend

    De gelijkenis van de opdringerige vriend (Lucas 11.5-13), die alleen in het evangelie van Lucas voorkomt, volgt op het onderwijs over het Onze Vader. Daarin leert Jezus volharding in het gebed: als een vriend uiteindelijk toegeeft aan aandringen, hoeveel vrijgeviger zal God dan geven aan wie hem in geloof bidden, door zelfs de Heilige Geest te schenken aan wie erom vragen.

    Lukas 11.9-13 (De Heilige Schrift 1917) :
    En Ik zeg ulieden: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven?Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven?Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?
    Lire la suite
  • Jezus, de Messias, na een wonder betwist

    In Jeruzalem wordt Jezus, de Messias, na de genezing van een stomme bezetene betwist door tegenstanders die zijn macht aan Beëlzebul toeschrijven en om een nieuw teken vragen. Hij antwoordt met logische en geestelijke argumenten, verwijst naar het teken van Jona, richt een lofprijzing om naar gehoorzaamheid aan het Woord en sluit af met een metafoor over het innerlijke licht. Deze toespraak, die alleen door Lucas wordt overgeleverd (11.14-36), toont twee tegenovergestelde houdingen tegenover de Messias: het echte geloof en de ongelovige afwijzing.

    Mattheüs 5.14-16 (De Heilige Schrift 1917) :
    Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn;Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.
    Lire la suite
  • Onderricht over aanstoot, vergeving en geloof

    Het artikel onderzoekt het onderwijs van Jezus over struikelblokken, vergeving en geloof in Lucas 17.1-6. Jezus spoort de leerlingen aan om geen geestelijke val te veroorzaken en zonder grenzen te vergeven. Dit onderricht legt de nadruk op de verantwoordelijkheid van de gemeenschap en op de toewijding van de leerlingen aan het koninkrijk van de hemel.

    Mattheüs 18.21-22 (De Heilige Schrift 1917) :
    Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.
    Lire la suite

De laatste week vóór de arrestatie

  • De vijgenboom is verdord

    De dag nadat de vijgenboom vervloekt was, ontdekken de discipelen dat de boom volledig verdord is. Jezus grijpt de gelegenheid aan om te onderwijzen over de kracht van het geloof en het belang van vergeving. Daarbij verbeeldt de vijgenboom in de Schrift Israël, en zijn verdorring wijst vooruit op het oordeel dat veertig jaar later met de verwoesting van de tempel over het volk zou komen. Geloof en vergeving blijven de onwrikbare waarden die Jezus naar voren brengt.

    Joël 1.7 (De Heilige Schrift 1917) :
    Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden.
    Lire la suite
  • De gave van de arme weduwe

    In de tempel van Jeruzalem ziet Jezus hoe een arme weduwe twee kleine muntjes in de schatkist legt, alles wat zij bezit. In tegenstelling tot de rijken, die met vertoon van hun overvloed geven, brengt zij haar volledige levensonderhoud als gave. Jezus verklaart dat zij meer heeft gegeven dan alle anderen, waarmee Hij de menselijke maatstaven van waarde omkeert. Dit verhaal, overgeleverd door Marcus (12.41-44) en Lucas (21.1-4), leert dat ware vrijgevigheid niet wordt gemeten aan de hoeveelheid die men geeft, maar aan de gezindheid van het hart en het gebrachte offer.

    Markus 12.41-44 (De Heilige Schrift 1917) :
    En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben.Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar gansen leeftocht.
    Lire la suite
  • Het ongeloof van de Joden

    Perikoop 300 behandelt het ongeloof van de Joden tegenover de tekenen die Jezus verrichtte, een gebeurtenis die alleen door Johannes wordt verteld (Joh 12,37-50) en die zich afspeelt in de tempel van Jeruzalem op woensdag 30 maart 33 n.Chr. Daartegenover illustreert de gift van de arme weduwe echt geloof. Jezus keert de menselijke maatstaven om: ware vrijgevigheid wordt niet afgemeten aan de hoeveelheid die wordt gegeven, maar aan de gesteldheid van het hart, dat aan God alles aanbiedt wat men is.

    Johannes 12.37-50 (De Heilige Schrift 1917) :
    En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet;Opdat het woord van Jesaja, den profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard?Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft:Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze.Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar om der Farizeen wil beleden zij het niet; opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden.Want zij hadden de eer der mensen lief, meer dan de eer van God.En Jezus riep, en zeide: Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Dengene, Die Mij gezonden heeft.En die Mij ziet, die ziet Dengene, Die Mij gezonden heeft.Ik ben een Licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve.En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make.Die Mij verwerpt, en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage.Want Ik heb uit Mijzelven niet gesproken; maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal, en wat Ik spreken zal.En Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is. Hetgeen Ik dan spreek, dat spreek Ik alzo, gelijk Mij de Vader gezegd heeft.
    Lire la suite

De laatste dag tot de kruisiging

  • De weg die naar de hemel leidt

    Het artikel ontsluit Johannes 14.1-15, waar Jezus zijn discipelen troost door te beloven hun een plaats bij de Vader te bereiden. Het benadrukt zijn unieke middelaarschap en de eenheid met God, en belooft tegelijk de Heilige Geest om de apostelen te leiden.

    1 Timotheüs 2.5 (De Heilige Schrift 1917) :
    Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;
    Lire la suite

Betrouwbaarheid van de Schrift en andere leerstellige thema’s

  • Chapitre 2, tenir ferme quand tout vacille

    Le roi de Babylone exige que ses sages expliquent un rêve qu'il ne leur a pas raconté, sous menace de mort. Daniel, en cherchant la révélation divine, dévoile le rêve et son sens, démontrant que la sagesse vient de Dieu. Ceci conduit à son élévation et à celle de ses compagnons au sein de la cour royale.

    Daniël 2.1-49 (De Heilige Schrift 1917) :
    In het tweede jaar nu des koninkrijks van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken.Toen zeide de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeen, om den koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht des konings.En de koning zeide tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om dien droom te weten.Toen spraken de Chaldeen, tot den koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten den droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.De koning antwoordde en zeide tot de Chaldeen: De zaak is mij ontgaan; indien gij mij den droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.Maar indien gijlieden den droom en zijn uitlegging te kennen geeft, zo zult gij geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij den droom en zijn uitlegging te kennen.Zij antwoordden ten tweeden male, en zeiden: De koning zegge zijn knechten den droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven.De koning antwoordde en zeide: Ik weet vastelijk, dat gijlieden den tijd uitkoopt, dewijl gij ziet, dat de zaak mij ontgaan is.Indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis is enerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij den droom, dan zal ik weten, dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven.De Chaldeen antwoordden voor den koning, en zeiden: Er is geen mens op den aardbodem, die des konings woord zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enigen tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeer.Want de zaak die de koning begeert, is te zwaar; en er is niemand anders, die dezelve voor den koning te kennen kan geven, dan de goden, welker woning bij het vlees niet is.Daarom werd de koning toornig en zeer verbolgen, en zeide, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen.Die wet dan ging uit, en de wijzen werden gedood; men zocht ook Daniel en zijn metgezellen, om gedood te worden.Toen bracht Daniel een raad en oordeel in, aan Arioch, den overste der trawanten des konings, die uitgetogen was, om de wijzen van Babel te doden.Hij antwoordde en zeide tot Arioch, den bevelhebber des konings: Waarom zou de wet van 's konings wege zo verhaast worden? Toen gaf Arioch aan Daniel de zaak te kennen.En Daniel ging in, en verzocht van den koning, dat hij hem een bestemden tijd wilde geven, dat hij den koning de uitlegging te kennen gave.Toen ging Daniel naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijn metgezellen, Hananja, Misael, en Azarja te kennen;Opdat zij van den God des hemels barmhartigheden verzochten over deze verborgenheid, dat Daniel en zijn metgezellen met de overige wijzen van Babel niet omkwamen.Toen werd aan Daniel in een nachtgezicht de verborgenheid geopenbaard; toen loofde Daniel den God des hemels.Daniel antwoordde en zeide: De Naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijn is de wijsheid en de kracht.Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen, die verstand hebben;Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem.Ik dank en ik loof U, o God mijner vaderen! omdat Gij mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want Gij hebt ons des konings zaak bekend gemaakt.Daarom ging Daniel in tot Arioch, dien de koning gesteld had om de wijzen van Babel om te brengen; hij ging henen en zeide aldus tot hem: Breng de wijzen van Babel niet om, maar breng mij in voor den koning, en ik zal den koning de uitlegging te kennen geven.Toen bracht Arioch met haast Daniel voor den koning, en hij sprak alzo tot hem: Ik heb een man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden, die den koning de uitlegging zal bekend maken.De koning antwoordde en zeide tot Daniel, wiens naam Beltsazar was: Zijt gij machtig mij bekend te maken den droom, dien ik gezien heb, en zijn uitlegging?Daniel antwoordde voor den koning, en zeide: De verborgenheid, die de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrekijkers, de tovenaars, en de waarzeggers den koning niet te kennen geven;Maar er is een God in den hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft den koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er geschieden zal in het laatste der dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn deze:Gij, o koning! op uw leger zijnde, klommen uw gedachten op, wat hierna geschieden zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er geschieden zal.Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden; maar daarom opdat men den koning de uitlegging zou bekend maken, en opdat gij de gedachten uws harten zoudt weten.Gij, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was treffelijk, en deszelfs glans was uitnemend), staande tegen u over; en zijn gedaante was schrikkelijk.Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper;Zijn schenkelen van ijzer; zijn voeten eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem.Dit zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelve gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een groten berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde.Dit is de droom; zijn uitlegging nu zullen wij voor den koning zeggen.Gij, o koning! zijt een koning der koningen; want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven;En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten des velds en de vogelen des hemels in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over al dezelve; gij zijt dat gouden hoofd.En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, hetwelk heersen zal over de gehele aarde.En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk nu het ijzer, dat zulks alles verbreekt, alzo zal het vermalen en verbreken.En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn, ten welken aanzien gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem;En de tenen der voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos.En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.Daarom hebt gij gezien, dat uit den berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft den koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal; de droom nu is gewis, en zijn uitlegging is zeker.Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en aanbad Daniel; en hij zeide, dat men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou.De koning antwoordde Daniel en zeide: Het is de waarheid, dat ulieder God een God der goden is, en een Heere der koningen, en Die de verborgenheden openbaart, dewijl gij deze verborgenheid hebt kunnen openbaren.Toen maakte de koning Daniel groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het ganse landschap van Babel, en een overste der overheden over al de wijzen van Babel.Toen verzocht Daniel van den koning; en hij stelde Sadrach, Mesach en Abed-nego over de bediening van het landschap van Babel; maar Daniel bleef aan de poort des konings.
    Lire la suite

Genezingen

  • Genezing van de zoon van een koninklijke ambtenaar

    Jean 4,46-54 raconte la guérison du fils d'un fonctionnaire royal à Cana. Le miracle, accompli par Jésus avec une simple parole, illustre la foi et la puissance divine, renforçant la conviction du fonctionnaire et de sa famille. Cette histoire met en avant l'importance de la foi avant même de voir des miracles.

    Johannes 2.1-11 (De Heilige Schrift 1917) :
    En op den derden dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was aldaar.En Jezus was ook genood, en Zijn discipelen, tot de bruiloft.En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen.Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.En aldaar waren zes stenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metreten.Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.En Hij zeide tot hen: Schept nu, en draagt het tot den hofmeester; en zij droegen het.Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, van waar de wijn was; maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het), zo riep de hofmeester den bruidegom.En zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard.Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.
    Lire la suite
  • De genezing van een melaatse

    L'article analyse la guérison d'un lépreux par Jésus en Marc 1.40-44 et Luc 5.12-14, soulignant la foi du lépreux, la compassion de Jésus et son pouvoir divin de guérison. Les récits insistent sur le respect des lois religieuses de l'époque.

    Lukas 5.12-14 (De Heilige Schrift 1917) :
    En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.En Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan; en zeide: Ik wil, word gereinigd! En terstond ging de melaatsheid van hem.En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zeide Hij, vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
    Lire la suite
  • Genezing van de verlamde

    L'article analyse le miracle de la guérison du paralytique, présent dans les Évangiles de Matthieu, Marc et Luc. Jésus, confronté au scepticisme des scribes, démontre son autorité divine en guérissant un paralytique descendu d'un toit par ses amis. Ce récit souligne la foi des porteurs et la capacité du Christ à pardonner et guérir, entraînant émerveillement et louanges de la foule.

    Markus 2.1-12 (De Heilige Schrift 1917) :
    En na sommige dagen is Hij wederom binnen Kapernaum gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was.En terstond vergaderden daar velen, alzo dat ook zelfs de plaatsen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en Hij sprak het woord tot hen.En er kwamen sommigen tot Hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd.En niet kunnende tot Hem genaken, overmits de schare, ontdekten zij het dak, waar Hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder, daar de geraakte op lag.En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven.En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun harten:Wat spreekt Deze aldus gods lasteringen? Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God?En Jezus, terstond in Zijn geest bekennende, dat zij alzo in zichzelven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uw harten?Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel?Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte):Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien!
    Lire la suite
  • Genezing van de dienaar van de centurio

    L'article explore la guérison du serviteur du centurion, racontée dans les Évangiles de Matthieu et de Luc. Le centurion démontre une foi exceptionnelle, espérant une guérison par la parole de Jésus. Les récits diffèrent par les détails de l'interaction, mettant en lumière l'humilité et la respectabilité du centurion et la compassion de Jésus.

    Lukas 7.1-10 (De Heilige Schrift 1917) :
    Nadat Hij nu al Zijn woorden voleindigd had, ten aanhore des volks, ging Hij in te Kapernaum.En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, krank zijnde, lag op zijn sterven.En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de ouderlingen der Joden, Hem biddende, dat Hij wilde komen, en zijn dienstknecht gezond maken.Dezen nu, tot Jezus gekomen zijnde, baden Hem ernstelijk, zeggende: Hij is waardig, dat Gij hem dat doet;Want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd.En Jezus ging met hen. En als Hij nu niet verre van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en zeide tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.Daarom heb ik ook mijzelven niet waardig geacht, om tot U te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden.Want ik ben ook een mens, onder de macht van anderen gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.En Jezus, dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zeide tot de schare, die Hem volgde: Ik zeg ulieden: Ik heb zo groot een geloof zelfs in Israel niet gevonden.En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden den kranken dienstknecht gezond.
    Lire la suite
  • De Messias Jezus stilt de storm

    Cet article examine comment, à travers Matthieu 8.23-27, Marc 4.35-41 et Luc 8.22-25, Jésus calme une tempête, montrant sa puissance divine. Les récits soulignent la réaction effrayée des disciples et l'importance de la foi, avec des variations reflétant les perspectives uniques de chaque évangéliste.

    Mattheüs 8.23-27 (De Heilige Schrift 1917) :
    En als Hij in het schip gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen gevolgd.En ziet, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, alzo dat het schip van de golven bedekt werd; doch Hij sliep.En Zijn discipelen, bij Hem komende, hebben Hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan!En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte.En de mensen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is Deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn!
    Lire la suite
  • Opwekking van het dochtertje van Jaïrus

    L'article explore la résurrection de la fille de Jaïrus et la guérison d'une femme malade par Jésus, selon les évangiles de Matthieu, Marc et Luc. L'importance de la foi dans ces récits est soulignée, ainsi que les différences et similitudes dans les détails des événements. Ces miracles illustrent la compassion de Jésus et sa puissance de guérison.

    Markus 5.21-43 (De Heilige Schrift 1917) :
    En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee.En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jairus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U, dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.En Hij ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem.En een zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had,En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was;Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan;Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was.En terstond Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare U verdringt, en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt?En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had.En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder, en zeide Hem al de waarheid.En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk?En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk.En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, den broeder van Jakobus;En kwam in het huis des oversten der synagoge; en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden.En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talitha kumi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op.En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat men haar zou te eten geven.
    Lire la suite
  • Genezing van de vrouw met de bloedvloeiing

    L'article explore l'histoire d'une femme souffrant de saignements, guérie par sa foi en touchant le vêtement de Jésus. Cet acte manifeste la puissance de guérison et la compassion de Jésus envers ceux qui croient en lui, comme rapporté dans les Évangiles de Matthieu, Marc et Luc.

    Mattheüs 9.20-22 (De Heilige Schrift 1917) :
    (En ziet, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem van achteren, raakte den zoom Zijns kleeds aan;Want zij zeide in zichzelven: Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden.En Jezus, Zich omkerende, en haar ziende, zeide: Wees welgemoed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van dezelve ure af.)
    Lire la suite
  • Genezing van twee blinden

    L'article explore la guérison de deux aveugles par Jésus (Matthieu 9.27-31), mettant en avant l'importance de la foi, la reconnaissance messianique et la diffusion du miracle malgré une interdiction. Ce récit unique en Matthieu souligne la compassion et le pouvoir de Jésus.

    Mattheüs 9.27-31 (De Heilige Schrift 1917) :
    En als Jezus van daar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: Gij Zone Davids, ontferm U onzer!En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof.En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer gestrengelijk verboden, zeggende: Ziet, dat niemand het wete.Maar zij, uitgegaan zijnde, hebben Hem ruchtbaar gemaakt door dat gehele land.
    Lire la suite
  • Genezing in Gennesaret

    L'article explore les récits de Matthieu 14.34-36 et Marc 6.53-56, décrivant les guérisons opérées par Jésus à Génésareth. Les habitants reconnaissent Jésus et s'empressent de rassembler les malades pour qu'ils puissent toucher son vêtement, démontrant leur foi en sa capacité de guérir. Ces récits soulignent la puissance miraculeuse de Jésus et l'importance de la foi des guéris.

    Mattheüs 14.34-36 (De Heilige Schrift 1917) :
    En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennesaret.En als de mannen van die plaats Hem werden kennende, zonden zij in dat gehele omliggende land, en brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren;En baden Hem, dat zij alleenlijk den zoom Zijns kleeds zouden mogen aanraken; en zovelen als Hem aanraakten, werden gezond.
    Lire la suite
  • Genezing van de tien melaatsen

    Luc 17.11-19 raconte la guérison de dix lépreux par Jésus. Seul un Samaritain revient le remercier, illustrant des thèmes de foi, d'obéissance, de gratitude et d'inclusivité du salut.

    Lukas 17.11-19 (De Heilige Schrift 1917) :
    En het geschiedde, als Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij door het midden van Samaria en Galilea ging.En als Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, welke stonden van verre;En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester! ontferm U onzer!En als Hij hen zag, zeide Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelven den priesteren. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met grote stemme God verheerlijkende.En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelve was een Samaritaan;En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling?En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.
    Lire la suite
  • Genezing van de blinde Bartimeüs

    Cet article explore les récits de la guérison de Bartimée dans les Évangiles. Bien que les détails varient (nombre d'aveugles, identification de Barthimée, emplacement précis), l'essentiel reste : la foi des aveugles, la compassion de Jésus en les guérissant.

    Lukas 18.35-43 (De Heilige Schrift 1917) :
    En het geschiedde, als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan den weg zat, bedelende.En deze, horende de schare voorbijgaan, vraagde, wat dat ware.En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging.En hij riep, zeggende: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Zone Davids, ontferm U mijner!En Jezus, stilstaande, beval, dat men denzelven tot Hem brengen zou; en als hij nabij Hem gekomen was, vraagde Hij hem,Zeggende: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En hij zeide: Heere! dat ik ziende mag worden.En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden.En terstond werd hij ziende, en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk, dat ziende, gaf Gode lof.
    Lire la suite

Wonderen

  • Lopen over het water

    L'article analyse comment les évangiles décrivent Jésus marchant sur l'eau, soulignant sa divinité et la foi des disciples. Matthieu inclut l'épisode de Pierre marchant aussi sur l'eau, tandis que Marc et Jean décrivent l'émerveillement des disciples. L'événement illustre le pouvoir de Jésus sur la nature et la nécessité de croire en lui.

    Mattheüs 14.22-33 (De Heilige Schrift 1917) :
    En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou laten.En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen.Maar ter vierde wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee.En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vreze.Maar terstond sprak hen Jezus aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.En Petrus antwoordde Hem, en zeide: Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind.Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!
    Lire la suite
  • Opwekking van Lazarus

    Jean 11:1-44 décrit la résurrection de Lazare, illustrant la puissance de Jésus sur la mort et sa compassion humaine. Ce miracle, en Béthanie, révèle le divin et l'humanité de Jésus, renforçant la foi de ses disciples. En ressuscitant Lazare après quatre jours dans le tombeau, Jésus montre qu'il est la résurrection et la vie, invitant à la foi pour la vie éternelle.

    Johannes 11.1-44 (De Heilige Schrift 1917) :
    En er was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bethanie, uit het vlek van Maria en haar zuster Martha.(Maria nu was degene, die den Heere gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder Lazarus krank was.)Zijn zusters dan zonden tot Hem, zeggende: Heere, zie, dien Gij liefhebt, is krank.En Jezus, dat horende, zeide: Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods; opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde.Jezus nu had Martha, en haar zuster, en Lazarus lief.Als Hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats, waar Hij was.Daarna zeide Hij verder tot de discipelen: Laat ons wederom naar Judea gaan.De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi! de Joden hebben U nu onlangs gezocht te stenigen, en gaat Gij wederom derwaarts?Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in den dag wandelt, zo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet;Maar indien iemand in den nacht wandelt, zo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is.Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken.Zijn discipelen dan zeiden: Heere, indien hij slaapt, zo zal hij gezond worden.Doch Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij sprak van de rust des slaaps.Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven.En Ik ben blijde om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij geloven moogt; doch laat ons tot hem gaan.Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijn medediscipelen: Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven.Jezus dan, gekomen zijnde, vond, dat hij nu vier dagen in het graf geweest was.(Bethanie nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadien van daar.)En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haar broeder.Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten.Zo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven;Maar ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan.Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage.Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven;En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?Zij zeide tot Hem: Ja, Heere; ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zuster, heimelijk, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u.Deze, als zij dat hoorde, stond haastelijk op, en ging tot Hem.(Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats, waar Hem Martha tegemoet gekomen was.)De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar vertroostten, ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar wene.Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn voeten, zeggende tot Hem: Heere, indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder niet gestorven.Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen, ook wenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde Zichzelven;En zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en zie het.Jezus weende.De Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had!En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Die de ogen des blinden geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware?Jezus dan wederom in Zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was een spelonk, en een steen was daarop gelegd.Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot Hem: Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen.Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt.Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lazarus, kom uit!En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem, en laat hem heengaan.
    Lire la suite
  • Het verdorren van de vijgenboom

    Dans Matthieu et Marc, Jésus maudit un figuier pour enseigner la foi et la prière. Sa parole dessèche l'arbre, illustrant la puissance de la foi. Marc insiste aussi sur l'importance du pardon. Les deux récits, bien que divergents dans l'ordre des événements, partagent le même enseignement central : la foi et la prière peuvent accomplir des merveilles si elles sont vécues sans douter.

    Markus 11.12-25 (De Heilige Schrift 1917) :
    En des anderen daags, als zij uit Bethanie gingen, hongerde Hem.En ziende van verre een vijgeboom, die bladeren had, ging Hij om te zien, of Hij ook iets op denzelven zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond Hij niet dan bladeren; want het was de tijd der vijgen niet.En Jezus, antwoordende, zeide tot denzelven: Niemand ete enige vrucht meer van u in der eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus, in den tempel gegaan zijnde, begon degenen, die in den tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om;En liet niet toe, dat iemand enig vat door den tempel droeg.En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken? Maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.En de Schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en zochten, hoe zij Hem doden zouden; want zij vreesden Hem, omdat de ganse schare ontzet was over Zijn leer.En als het nu laat geworden was, ging Hij uit buiten de stad.En des morgens vroeg voorbijgaande, zagen zij, dat de vijgeboom verdord was, van de wortelen af.En Petrus, zulks indachtig geworden zijnde, zeide tot Hem: Rabbi! zie, de vijgeboom, dien Gij vervloekt hebt, is verdord.En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Hebt geloof op God.Want voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot dezen berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven, dat hetgeen hij zegt, geschieden zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt.Daarom zeg Ik u: Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden.En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, ulieden uw misdaden vergeve.
    Lire la suite

Historische aantekeningen

  • Le Dieu unique et Abram

    Abram vivait en Mésopotamie, dans un monde polythéiste où chaque force naturelle avait son dieu. La révélation qu'il reçoit est radicalement différente : un Dieu unique, Créateur de toute chose, qui invalide tous les autres dieux. Abram se soumet à cette révélation, entraîne sa famille dans cette foi nouvelle et devient ainsi un exemple fondateur pour toutes les générations futures du monothéisme biblique.

    Genesis 11.31-32 (De Heilige Schrift 1917) :
    En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeen, om te gaan naar het land Kanaan; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar.En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.
    Lire la suite

Woord van een Vriend

  • Wilt u genezen worden?

    Het artikel onderzoekt de vraag van Jezus „Wilt u genezen worden?” aan een man die al 38 jaar ziek was, en laat zien hoe het geloof in God het plaatselijke bijgeloof overstijgt. Jezus geneest de man en benadrukt de vergeving van zonden als de ware zegen, die zelfs de lichamelijke genezing overtreft. De tekst benadrukt het belang van de redding van de ziel, die centraal staat in de bediening van Jezus.

    Johannes 5.6 (De Heilige Schrift 1917) :
    Jezus, ziende dezen liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?
    Lire la suite
  • Wie zoekt, vindt

    Dominique Lormier bespreekt het vers Matteüs 7.8, dat uitnodigt om te vragen, te zoeken en te kloppen om geestelijke antwoorden te vinden. Jezus biedt een weg van redding en belooft dat wie oprecht zoekt, vrede en verzoening met God vindt.

    Markus 2.10 (De Heilige Schrift 1917) :
    Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte):
    Lire la suite
  • Geloof in de Heer Jezus en u zult gered worden

    Het artikel bespreekt het heil in Jezus Christus, op grond van Handelingen 16.31. Met beelden uit de redding vergelijkt de auteur het geloof met fysieke reddingsacties. Hij stelt dat geloven in Jezus onmisbaar is voor het eeuwige heil, ook al lijkt deze benadering eenvoudig of naïef. Door te waarschuwen voor onzichtbare gevaren herinnert het artikel eraan hoe belangrijk het is om voor het geloof te kiezen om een leven na de dood te verzekeren.

    Deuteronomium 30.19-20 (De Heilige Schrift 1917) :
    Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen den hemel en de aarde; het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek! Kiest dan het leven, opdat gij levet, gij en uw zaad;Liefhebbende den HEERE, uw God, Zijner stem gehoorzaam zijnde, en Hem aanhangende; want Hij is uw leven en de lengte uwer dagen; opdat gij blijft in het land, dat de HEERE uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven.
    Lire la suite
  • Is God onrechtvaardig?

    Het artikel bespreekt de gedachte dat God onrechtvaardig zou kunnen zijn door lijden en onrecht in de wereld toe te laten, maar concludeert dat deze toestand het gevolg is van de zonde van de mens. Het nodigt uit tot berouw en tot geloof in Jezus voor het heil.

    1 Johannes 4.16 (De Heilige Schrift 1917) :
    En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem.
    Lire la suite
  • Ik heb voor u gebeden, zegt Jezus tegen hem!

    Het artikel bespreekt Lucas 22:31-32, waar Jezus Petrus een zware beproeving aankondigt en zijn voorbede belooft. Satan probeert de leerlingen te vernietigen, maar Jezus bidt dat hun geloof standhoudt. Deze goddelijke zekerheid blijft voor alle gelovigen bestaan en beschermt hen in moeilijkheden. De voorbede van Jezus moet bij de gelovigen dankbaarheid en geloof wekken.

    Lukas 22.3-4 (De Heilige Schrift 1917) :
    En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal der twaalven.En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.
    Lire la suite
  • De Eeuwige zal voor u strijden

    Het artikel vertelt hoe Josafat, koning van Juda, geconfronteerd met een vijandelijke coalitie, zich door gebed en vasten tot God wendt. God belooft voor hen te strijden, als symbool dat sommige gevechten een goddelijk ingrijpen vereisen. Dit komt tot uiting in de overwinning van Jezus op de zonde, die ons verlossing en vergeving schenkt. Het artikel moedigt ons aan God te vertrouwen in onze persoonlijke beproevingen.

    Romeinen 5.6 (De Heilige Schrift 1917) :
    Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven.
    Lire la suite
  • Wees niet bevreesd, geloof alleen maar

    Het artikel leert hoe belangrijk geloof is te midden van moeilijkheden, uitgaande van de woorden van Jezus tegen Jaïrus in Markus 5.36: „Wees niet bevreesd, geloof alleen maar.” Het moedigt de lezers aan hun angsten te overwinnen door op God en zijn bijbelse beloften te vertrouwen.

    Psalmen 91.5-10 (De Heilige Schrift 1917) :
    Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt;Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien.Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! Den Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek;U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.
    Lire la suite
  • Leid mij naar de rots die mij te hoog is

    Het artikel behandelt het thema van Psalm 61:3, waar David God vraagt hem te leiden naar een „rots” die hij op eigen kracht niet kan bereiken. Deze „rots” symboliseert veiligheid en vrede, en de auteur benadrukt dat het geloof in Jezus, onze „geestelijke rots”, nodig is om deze rust te bereiken.

    Colossenzen 2.10 (De Heilige Schrift 1917) :
    En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;
    Lire la suite
Compléments
  • ANN116 De redding

    L'article examine le salut comme un élément crucial du dessein divin, accentuant son importance à travers le ministère de Jésus. Il explique comment le…