• De barmhartige Samaritaan

    De perikoop PER222 behandelt de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lucas 10.25-37), die Jezus vertelde in antwoord op een wetgeleerde die hem een valstrik wilde spannen. Deze gelijkenis, die zich in november van het jaar 32 afspeelt in Betanië aan de overzijde van de Jordaan, leert dat de ware 'naaste' niet bepaald wordt door religie of cultuur, maar door de daad van barmhartigheid. De verachte Samaritaan wordt het voorbeeld van medelijden, een symbolische gestalte van de Messias zelf die de gewonde mensheid te hulp komt.

    Mattheüs 19.16-22 (De Heilige Schrift 1917) :
    En ziet, er kwam een tot Hem, en zeide tot Hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?En Hij zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.Hij zeide tot Hem: Welke? En Jezus zeide: Deze: Gij zult niet doden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven;Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.De jongeling zeide tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af; wat ontbreekt mij nog?Jezus zeide tot hem: Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij.Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen.
    Verder lezen