In deze tekst van Lukas 4.23 zien wij dat Jezus genezingen in Kafarnaüm had verricht. Zoals wij al vermeldden, gebeurt dit vóór zijn komst naar Nazaret.
Wij denken dus aan verschillende reizen tussen Kafarnaüm en de omliggende steden. Kafarnaüm is zijn thuisbasis geworden, waar hij een gunstige en welwillende omgeving vindt. Er is altijd een huis om hem te ontvangen, een plek om te rusten en nieuwe kracht op te doen. Doorgaans was hij voor onderdak afhankelijk van de gastvrijheid van leerlingen en sympathisanten (Markus 1.29-31). Mattheüs 9.1 en Markus 2.1 noemen deze plaats Jezus' eigen stad.
De naam van deze stad komt zestienmaal in de vier evangeliën voor, naast twee verwijzingen naar ‘Jezus' stad’. Het lijkt duidelijk dat hij er lange perioden heeft gewoond.
Zo was hij ook dichter bij de leerlingen die zijn apostelen zouden worden: de meesten werkten daar in de visserij. Matteüs was er belastinginner en zijn maatschappelijke positie maakte het ongetwijfeld mogelijk één of zelfs meerdere huizen in de omgeving te bezitten.
Na de roeping van zijn leerlingen zal hij in de hele streek het evangelie verkondigen en steeds naar Kafarnaüm terugkeren, waarschijnlijk vooral 's winters, wanneer het weer buiten slapen niet toelaat. Zijn leerlingen zagen dus regelmatig hun gezin terug.
In 1905 ontdekten de archeologen Kohl en Watzinger de van Kafarnaüm. In 1925 herbouwden de franciscanen onder leiding van G. Orfali haar gedeeltelijk. De wordt in de vierde eeuw gedateerd. Waarschijnlijk is zij echter gebouwd op de plaats van een oudere , waar Jezus vermoedelijk de toespraak hield die Johannes 6.24-71 weergeeft.