Johannes benadrukt dat Jezus door Samaria moest gaan. Joden vermeden vaak Sichar op weg naar Galilea en namen liever een route langs de Jordaan vanwege de spanningen met de . Vers 4 herinnert aan deze gewoonte. Jezus kende het belang van zijn ontmoeting bij de put van Sichar en ging daar bewust naartoe.
De put wordt genoemd in Genesis 33.18-20, waar de aartsvader Jakob een akker koopt voordat hij die aan Jozef geeft. Johannes vermeldt het zesde uur, wat volgens de Joodse tijdrekening twaalf uur 's middags kan betekenen en volgens de tijdrekening 18.00 uur. In Johannes 19.14 lijkt het zesde uur echter zes uur 's morgens te betekenen. Dat doet ons denken dat Johannes de tijdrekening gebruikt; het zou dus 18.00 uur zijn.
De reis van Jezus en zijn leerlingen van Alexandrium naar Sichar bedraagt ongeveer vierentwintig kilometer. Jezus lijkt moe, terwijl de leerlingen in het dorp voedsel gaan kopen. Deze vermoeidheid kan door slaapgebrek komen.
Vers 6 suggereert dat de leerlingen Jezus alleen achterlieten, wat mogelijk op een klein gezelschap wijst. Johannes was vermoedelijk bij deze reis aanwezig.
Johannes vertelt vervolgens een lang gesprek van Jezus met een Samaritaanse vrouw, op basis van zijn getuigenis. Dit volgt op Nikodemus' verhaal en toont een contrast: Nikodemus is een ontwikkelde, godsdienstige man; de Samaritaanse vrouw leeft aan de rand van de samenleving en is minder met godsdienst bezig. Beiden ontdekken echter Jezus en veranderen hun levensloop.