Studies 1 tot 2
-
PER090
De Bergrede (6), moord, offergave en vergeving
Dit zesde deel van de Bergrede (Mat. 5.21-26) onderzoekt Jezus' onderricht over moord, offergave en vergeving. Jezus verdiept het vijfde gebod door te laten zien dat woede en minachting tegenover een broeder geestelijk even ernstig zijn als moord zelf. Hij stelt de letter van de farizese wet tegenover Gods oorspronkelijke geest en verklaart dat alleen oprechte vergeving, niet de offergave, een normale verhouding herstelt. De waarschuwing betreft de eindtijd: zonder verzoening volgt de Gehenna.
Lukas 18.9-14 (De Heilige Schrift 1917) :En Hij zeide ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden, de een was een Farizeer, en de ander een tollenaar.De Farizeer, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar.Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit.En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org -
PER093
De Bergrede (9), vergelding
PER093 onderzoekt Jezus' onderricht over vergelding in de Bergrede (Mat. 5.38-42). Jezus geeft een nieuwe uitleg van de vergeldingswet (Ex. 21.24; Lev. 24.20; Deut. 19.21) en roept zijn leerlingen tot geweldloosheid, vergeving en liefde voor vijanden. Dit alleen bij Matteüs voorkomende onderricht bepleit geen volledige passiviteit, maar een vreedzaam antwoord dat vergelding overstijgt, overeenkomstig Romeinen 12.17 en 1 Petrus 3.9.
Mattheüs 5.38-42 (De Heilige Schrift 1917) :Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org