Daniël 3.5 somt de instrumenten op waarvan het geluid het algemene neerbuigen voor het standbeeld moet teweegbrengen:
„de hoorn, de schalmei, de citer, de harp, het psalterion, de doedelzak en allerlei andere muziekinstrumenten”.
Een vergelijkbare lijst keert terug in Daniël 3.7, 10 en 15.
Deze herhaling is een van de meest zichtbare literaire kenmerken van het hoofdstuk.
Zij werkt plechtig: de lezer hoort bijna telkens hetzelfde officiële signaal terugkeren wanneer het koninklijke bevel wordt herhaald.
De muziek is dus niet louter decor. Zij maakt deel uit van het mechanisme waarmee het koninklijk gezag het gedrag van de menigte tegelijk coördineert.