-
INF005
Jezus en de idiomen van zijn tijd
Dit artikel analyseert de belangrijkste talen die Jezus en zijn tijdgenoten in Palestina gebruikten: het Aramees, de dagelijkse taal van het volk; het Hebreeuws, de liturgische taal van de synagogen; en het koinè-Grieks, de taal van het Romeinse bestuur en van de culturele uitwisseling. Voorbeelden uit het Nieuwe Testament illustreren elk taalgebruik en tonen de rijkdom van de multiculturele context van de eerste eeuw.
Lukas 4.16-21 (De Heilige Schrift 1917) :En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen.En Hem werd gegeven het boek van den profeet Jesaja; en als Hij het boek opengedaan had, vond Hij de plaats, daar geschreven was:De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; (4:19) Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid;om te prediken het aangename jaar des Heeren.En als Hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat Hij neder; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen.En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org