-
PER076
Jezus is de heer van de sabbat
Jezus en zijn leerlingen lopen op een sabbat door een korenveld (5 april 31, in Galilea). De farizeeën beschuldigen hen ervan de sabbatswet te overtreden. Jezus antwoordt met het voorbeeld van David en bevestigt zijn absolute gezag: de Mensenzoon is Heer van de sabbat. Hij hekelt de ontsporingen van de farizese uitleg, die ingaat tegen de oorspronkelijke geest van de wet van Mozes, en eist het recht op om de ware sabbat te herstellen.
1 Samuël 21.1-6 (De Heilige Schrift 1917) :Toen kwam David te Nob, tot den priester Achimelech; en Achimelech kwam bevende David tegemoet, en hij zeide tot hem: Waarom zijt gij alleen, en geen man met u?En David zeide tot den priester Achimelech: De koning heeft mij een zaak bevolen, en zeide tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten, om dewelke ik u gezonden heb, en die ik u geboden heb; den jongelingen nu heb ik de plaats van zulk een te kennen te kennen gegeven.En nu wat is er onder uw hand? Geef mij vijf broden in mijn hand, of wat er gevonden wordt.En de priester antwoordde David, en zeide: Er is geen gemeen brood onder mijn hand; maar er is heilig brood, wanneer zich de jongelingen slechts van de vrouwen onthouden hebben.David nu antwoordde den priester, en zeide tot hem: Ja trouwens, de vrouwen zijn ons onthouden geweest gisteren en eergisteren, toen ik uitging, en de vaten der jongelingen zijn heilig; en het is enigerwijze gemeen brood, te meer dewijl heden ander in de vaten zal geheiligd worden.Toen gaf de priester hem dat heilige brood, dewijl er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht des HEEREN weggenomen waren, dat men er warm brood leide, ten dage als dat weggenomen werd.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org