De anekdote over de ontdekking van de door Constantin von Tischendorf in het Katharinaklooster is een van de beroemdste uit de geschiedenis van het bijbelonderzoek:
Ontdekking
1844: Tijdens zijn eerste reis naar het Katharinaklooster op de Sinaï merkte Constantin von Tischendorf een mand op vol oude perkamenten die bestemd waren om verbrand te worden. Bij het doorzoeken ontdekte hij verscheidene bladen van wat een van de oudste handschriften van de Bijbel zou blijken te zijn, de . Tischendorf kon 43 bladen redden, voornamelijk uit het Oude Testament.
1853: Tijdens zijn tweede reis vond hij geen andere delen van het handschrift.
1859: Tijdens zijn derde reis, gefinancierd door tsaar Alexander II van Rusland, overtuigde hij de monniken hem het complete handschrift te laten zien, dat in een kelder verborgen lag. Zich bewust van het belang van zijn ontdekking kreeg hij toestemming om het handschrift mee te nemen naar Sint-Petersburg om het te laten bestuderen.
Belang
De is een van de oudste en meest complete handschriften van de Griekse Bijbel, daterend uit de 4e eeuw. Hij bevat delen van het Oude Testament, het volledige Nieuwe Testament, en daarnaast extra teksten zoals de Brief van Barnabas en de Herder van Hermas.
Gevolgen
Publicatie: Tischendorf publiceerde in 1862 een eerste facsimile-uitgave van de , die grote belangstelling wekte in de academische en religieuze wereld.
Bewaring: Het handschrift is verdeeld over meerdere instellingen: de British Library in Londen, de Russische Nationale Bibliotheek in Sint-Petersburg, de Universiteit van Leipzig en het Katharinaklooster.
Deze ontdekking heeft een grote invloed gehad op de tekstkritiek en de geschiedenis van de bijbeltekst, en blijft een sprekend voorbeeld van de passie en het doorzettingsvermogen van onderzoekers in hun zoektocht naar kennis.