Maarten Luther vertaalde de Bijbel om verschillende belangrijke redenen in het Duits:
Toegankelijkheid: Luther wilde dat de Bijbel voor alle mensen toegankelijk zou zijn, niet alleen voor geestelijken en geleerden. In die tijd was de Bijbel vooral beschikbaar in het Latijn, een taal die de meeste mensen niet begrepen. Door de Bijbel in het Duits te vertalen, maakte hij het mogelijk dat leken de Schrift zelf lazen en begrepen.
Hervorming van het geloof: Luther geloofde dat een persoonlijk begrip van de Schrift essentieel was voor het christelijk geloof. Hij vond dat ieder mens de Bijbel moest kunnen lezen en uitleggen zonder tussenkomst van de Kerk.
Kritiek op de aflaten: Door de Bijbel te vertalen kon Luther aantonen dat de aflaten en andere praktijken van de katholieke Kerk niet op de Schrift gegrond waren. Dat versterkte zijn betoog tegen die praktijken en hielp zijn hervormingsideeën te verspreiden.
Standaardisering van de taal: Luthers vertaling speelde een cruciale rol bij de standaardisering van de Duitse taal. Zijn werk droeg ertoe bij de verschillende regionale varianten van het Duits te verenigen en een samenhangender en voor de lezers begrijpelijker taal te scheppen.
Kortom, Luthers vertaling van de Bijbel was een belangrijke stap op weg naar de en had een blijvende invloed op taal, cultuur en godsdienst in Duitsland en daarbuiten.