-
PER141
De gelijkenis van het onkruid en de tarwe
De gelijkenis van het onkruid en de tarwe (Matteüs 13.24-30), die uitsluitend bij Matteüs voorkomt, leert dat goed en kwaad tot het laatste oordeel naast elkaar bestaan in de wereld. Jezus illustreert daarin het geduld van God, die de scheiding tussen rechtvaardigen en goddelozen uitstelt tot de eschatologische oogst, die aan de engelen wordt toevertrouwd. Deze gelijkenis sluit aan bij een diepgaande Bijbelse bezinning op de schijnbare voorspoed van de goddelozen, die ook bij Habakuk, Asaf, Jeremia en Job voorkomt.
Psalmen 73.3-12 (De Heilige Schrift 1917) :Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org