Wij vervolgen Johannes' verhaal. Het gaat duidelijk om meer dan de beschrijving van nog een wonder. De genezing van deze man die al achtendertig jaar ziek was, wijkt naar de achtergrond voor een voor de auteur cruciaal betoog. Jezus zal hem later opnieuw ontmoeten (Johannes 5.14), waarschijnlijk op het tempelplein.
Zo bereiken wij Johannes' conclusie: Jezus verklaart zich aan God gelijk en noemt zich Gods Zoon. Voor een Jood kan God geen zoon hebben; deze vader-zoonrelatie wordt dus als godslastering gezien.
Johannes' redenering wordt geleidelijk duidelijk. Jezus zou niet al deze wonderen kunnen verrichten als hij niet ook God was. Johannes citeert rechtstreeks de woorden van de Meester die God de Vader met zichzelf, God de Zoon, verbinden.
Jezus verklaart dus dat zijn zichtbare macht rechtstreeks van God komt, die hem naar de wereld zond. Na zo'n uitspraak moeten de leiders en alle toehoorders kiezen: zijn zij voor of tegen Gods Zoon? Omdat de Zoon ook God is, betekent dat: zijn zij voor of tegen God?